Meditatie bij Lucas 18:1-8
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Soms denk ik: stel dat Jezus in onze tijd zou hebben geleefd. Wat voor beroep zou hij dan gekozen hebben? Ja, Jezus had een beroep. Z’n vader was timmerman, maar hij koos er voor om rabbi, dus zeg maar theoloog of beter Schriftgeleerde te worden. Maar zou die dat in onze tijd ook hebben gedaan? Misschien, maar daarnaast zou hij vermoedelijk wel zeker psychologie hebben gedaan of geneeskunde. En misschien wel psychotherapeut zijn geworden of huisarts.
En stel nou eens dat er bij die huisarts twee mannen op het spreekuur zouden komen; en de éne zou een heel lang betoog houden over hoe gezond hij leeft, hoe vaak hij sport, hoe weloverwogen hij z’n eten kiest, hoe goed hij z’n lichaamsgewicht in de gaten houdt. En wat hij allemaal laat staan in tegenstelling tot anderen die alles naar binnen stoppen en proppen en roken en drinken. Nou ja, dokter, u kent ze wel.
En dat na deze man er een ander zou komen, die zou zeggen: mijn vrouw vond dat ik eens langs moest gaan, want ze maakt zich zorgen. Ziet u, ik heb al weken lang zo’n akelige hoest, die niet overgaat. En die, als de dokter hem zou vragen: Rookt u? daarna zou opbiechten: ik steek wel eens een op. Hoeveel? Vier of vijf? Meer? Die daarna de dokter bijna niet meer durft aan te kijken, als die hem vraagt naar zij alcoholconsumptie, eetpatroon en lichaamsgewicht. En alleen nog maar fluisteren. “Dokter, wees mij zondaar genadig.”
En stel dat Jezus dan zou vragen: wie van die twee mannen zou het meest dankbaar zijn voor het advies van de dokter? Hij die gezond leeft of die ander? En wie van die twee zou het meeste geneigd zijn om zijn levenspatroon te veranderen?
Zullen we zeggen: degene, die ontdekt heeft, dat hij het meest fout zit; degene, die te horen heeft gekregen dat hij het meest ongezond leeft? En die, als hij zo doorgaat…
En misschien dat het u net zo gaat; dat je onwillekeurig toch naar jezelf gaat kijken. Als ik bij de Bloedbank die hele lijst moet invullen; hebt u ooit seksueel contact gehad waarvoor u geld of drugs hebt ontvangen? Hebt u de laatste 12 maanden seksueel contact gehad, waarvoor u met geld of drugs heeft betaald? met iemand die ooit drugs heeft gespoten? dan ben ik geneigd om te denken: blij dat ik niet zo ben als die…. Maar als mijn zoon (afgestudeerd arts) mij vraagt: ‘Pa, hoeveel drink jij nu echt?’ dan durf ik hem niet goed aan te kijken.
Maar wie van de twee zit er nou het meest fout? Is dat degene, die weet dat hij fout zit, ongezond leeft of is dat omgekeerd degene, die van zichzelf denkt dat hij het heel goed doet – zo iemand, die tegen de dokter zegt: “ja zeker ken ik de voedingsvoorschriften; al toen ik nog een kind was, kreeg ik te horen: snoep verstandig, eet een appel, drink drie glazen melk per dag, en als de r in de maand is, neem dan een lepel levertraan. Aan dat alles en nog meer heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.”’
Waarop dokter Jezus hem aankijkt en hem zijn advies geeft: ‘je wilde deel krijgen aan het eeuwige leven? Dan is er nog één ding, dat je ontbreekt.’
En dat is?
Verkoop alles wat je hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!
Misschien bent u verrast, dat ik deze zin van Jezus er bij haal. Maar ik zal het u uitleggen: bij het lezen van commentaren over deze gelijkenis viel me op dat deze altijd moralistisch is uitgelegd. En het liefst zwart-wit tegenover elkaar gesteld: een hypocriete, schijnheilig en zelfgenoegzame farizeeër tegen een berouwvolle tollenaar. Wat de Deense filosoof Sören Kierkegaard ooit tot de uitspraak bracht: ‘Sinds de Jezus de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar heeft gesproken, bidt de farizeeër als een tollenaar’
Maar ik ga niet in die moralistische uitleg mee; ik houd u niet de berouwvolle tollenaar als voorbeeld voor; want volgens mij gaat het in de gelijkenis niet om berouw, maar om de bereidheid je leven te veranderen. En dat geldt voor beiden: zowel de farizeeër als de tollenaar.
Want dat is wat de mensen van toen bij het horen van de gelijkenis, die Jezus vertelt, onmiddellijk door hadden, begrepen, wisten: zowel farizeeërs als tollenaar waren rijk, vermogend en beide groepen waren ook op geldbelust.Het enige verschil tussen die twee was, dat de éne groep heel goed wist dat men het op oneerlijke wijze had verdiend en de andere groep vond dat men het eerlijk had verworven. Zeg maar: een drugsdealer en een bankdirecteur. Een beetje zwart wit, maar u begrijpt het wel, als u gister de Prooi hebt gezien. Want ook de farizeeër houdt zich netjes aan de regels: niet alleen vast hij tweemaal per week, maar ook draagt hij een tiende van al zijn inkomsten af. Precies zoals de man, die daarna ten tonele verschijnt: een hooggeplaatst iemand, die Jezus om advies over het eeuwige leven vraagt. Het verhaal van de rijke jongeling
Die bij het horen van de 10 geboden uitroept: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.
En het is niet toevallig dat in het Lucas evangelie direct op deze gelijkenis het verhaal volgt over een hooggeplaatst iemand. Want het zou net zo goed een farizeeër kunnen zijn geweest, die te horen krijgt: één ding is er wat je ontbreekt. En dit advies – moeten we goed begrijpen – is niet ingegeven om zo iemand te pesten door hem een onmogelijke eis op te leggen. Jezus geeft dit advies, omdat hij de man in zijn vraag naar eeuwig leven helemaal serieus neemt. Volstrekt serieus, maar als een volleerd arts ook een heldere diagnose stelt waar deze man, patiënt aan lijdt. Hij zit vast aan zijn bezit, zijn vermogen, zijn aandelen. Dat is zijn ziekte. Maar toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk.
We komen daarom in de bijbel geen farizeeër tegen, die Jezus’ advies is opgevolgd. U wel? Waarop Jezus dan constateert: wat is het toch moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. Voor een kameel is het is nog gemakkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.
Goed, dat oog van de naald mag dan in werkelijkheid een smal poortje zijn in Jeruzalem, waar een kameel niet onder door kon, tenzij eerst de pakken -die op zijn rug gebonden waren- werden afgeladen, Jezus’ toehoorders begrijpen heel goed dat iemand nooit op een zelfde manier afstand zal doen van zijn bezit en dus vragen ze: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ Waarop Jezus dan weer antwoordt: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.´
En hoe waar dat is, staat in het daarop volgende hoofdstuk. Dan blijkt er toch één rijke te zijn, één rijke met veel geld, die op die manier het koninkrijk van God binnengaat. Eén rijke, die net zoals het kameel voor het oog van de naald, z’n bagage aflegt, z’n pakken afbindt; één rijke, die de helft van zijn bezittingen aan de armen geeft.
Nee, dat was absoluut geen farizeeër. Die waren rijk en niet alleen dat: ze waren overtuigd dat ze hun geld eerlijk verdiend hadden en hun bezit eerlijk verworven. Zoals mijn moeder mij vroeger al leerde: zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen. En die me ook leerde, als iemand mijn vader uitschold voor kapitalist, om te zeggen: wij hebben er tenminste hard voor gewerkt.
En daarom het geen farizeeër, maar uitgerekend een tollenaar, die tot inzicht komt, dat hij faliekant fout zit. Een tollenaar, die het advies van Jezus opvolgt. Juist omdat hij weet dat hij zijn geld, zijn bezit op oneerlijke wijze heeft verdiend. Juist, omdat hij weet dat hij zijn rijkdom niet op eerlijke wijze, maar aan afpersing te danken heeft. Prakijken, die van hem een paria hebben gemaakt. Door iedereen gehaat, door iedereen met de nek aangekeken. In Jericho kunnen ze je nog de boom aanwijzen, waarin hij heeft gezeten, toen hij door Jezus bij zijn intocht door de stad werd aangesproken.
Net zoals die tollenaar weet Zacheüs dat zijn leven zich in een doodlopende straat bevindt. Een doodlopende straat; aan het eind zal er niemand meer zijn, die om hem geeft. Aan het eind zal hij enkel nog zijn bezit hebben, zijn kunstschatten, zijn dure auto’s, zijn vliegreizen, z’n verre vakanties maar wat als je vrouw van je gescheiden is en je kinderen niet meer met je te maken willen hebben? Wat, als je leven in een doodlopende straat is geëindigd? Dreigt te eindigen?
Oh, Howard Hughes Did your money make you better?
Are you waiting for the hour When you can screw me?
`Cos you’re big enough To
do the Wall Street Shuffle Let your money hustle
Bet you’d sell your mother You can buy another Doin’ the….
Doin’ the….
Daarom slaat de tollenaar zich op de borst en bidt: “God, wees mij zondaar genadig.”
God, wês my sûnder genedich. Help mij uit die doodlopende straat vandaan, redt mij hieruit, want op eigen kracht kom ik er niet uit.
En dan eindigt de gelijkenis met die cryptische zin van Jezus: Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God. Gerechtvaardigd, zegt de oude vertaling. En daar kan ik wel hele theologie van Paulus aan wijden, over dat ‘gerechtvaardigd’, maar wat dat begrip inhoudt, maakt Jezus zelf in één klap duidelijk, als hij tegen Zacheus in de boom zegt: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ Ik moat hjoed by jo te gast wêze.
Voor de buitenwacht is hij nog steeds een zondig mens, een paria en daarom morren ze tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht. Schande.’ Maar door deze rechtvaardiging ziet Zacheüs een kans om uit die doodlopende straat te komen. Dit is zijn kans om nu voor eens en altijd aan iedere omstander te laten zien dat hij wil breken met zijn verleden, wil stoppen met zijn geldzucht, een streep wil zetten onder zijn collaboratie met de Romeinen.
Hij laat zich naar beneden glijden en ontvangt Jezus vol vreugde bij zich thuis. En tegen alle, die hen met scheve ogen aankijken, zegt hij ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’
Weg uit die doodlopende straat van geld en corruptie, van smeergeld en steekpenningen.Gered door die onverwachte actie van Jezus, die onverwachte rechtvaardiging van hem als zondaar. Ik gebruik maar even de oude woorden.
Nu weet ik wel, dat de echte rijken al lang niet meer in de kerk zitten en dat ik dit verhaal beter op een aandeelhoudersvergadering had kunnen houden dan hier in de kerk. Maar misschien, kijkend naar Zacheüs, kunnen we ons toch ook afvragen: waar gaat ons hart naar uit? Waar hebben wij onze zinnen op gezet? Waar zitten wij aan vastgeketend?
Als ik zeg: “Ik ben een christen”
roep ik niet: “Ik ben gered”.
Ik fluister dat ik ben verloren
en juist daarom ga ik deze weg.
Als ik zeg: “Ik ben een christen”,
zeg ik die woorden zonder trots.
Ik geef grif toe dat ik struikel
en iemand nodig heb als gids en rots.
Als ik zeg: “Ik ben een christen”,
beweer ik niet: “Ik kan alles aan.”
Ik belijd dat ik maar zwak ben
en bid om kracht om door te gaan.
Als ik zeg: “Ik ben een christen”,
spreek ik daarmee geen oordeel uit.
Daartoe heb ik geen enkel recht;
ik weet alleen dat iemand van me houdt.
En dan zegt Jezus: Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ Maar zolang een farizeeër niet doorheeft dat hij zich in een zelfde doodlopende straat bevindt, zal hij nooit gevonden worden. Dat geeft mij te denken. En ik hoop u ook. O ja en die farizeeër. Of hij ooit tot het inzicht komt dat hij zich ook in een doodlopende straat bevindt? Ja toch. Verderop in deel 2 horen we van een farizeeër, die de ogen werden geopend: Zijn naam? Saulus van Tarsus. Maar beter bekend als de apostel Paulus. Amen.