‘I have a dream’

Het moet in het begin van de jaren ‘70 zijn geweest op de camping, waar mijn ouders toen een caravan hadden staan. Met driftige gebaren probeerde een kleine man zijn zoontje de eerste beginselen van het voetbal bij te brengen. Zijn schoonvader, die een caravan ertegenover had staan, probeerde aan mijn ouders uit te leggen waarom de kleine man zo geprikkeld reageerde. Hij kwam uit Amerika, zoals we zijn al aan zijn accent hadden kunnen horen.
Maar hij was nu met zijn dochter in Nederland, omdat hij in Amerika op de zwarte lijst was gezet en hij er geen droge boterham kon verdienen.
Mijn vader leek z’n wenkbrauwen te fronsen. Opgegroeid met het idee van ‘wie niet werkt zal niet eten’, kon hij zich maar nauwelijks voorstellen dat die kleine man op het trapveldje in Amerika geen werk had kunnen vinden. De buurman boog zich nu conspiratief naar mijn vader toe: hij was ooit de rechterhand van Martin Luther King geweest.
Bij het horen van die naam spitste ik mijn oren. Dat was toch die zwarte predikant, die vier jaar eerder door een aanslag om het leven was gekomen? Ik was negen, toen ik zijn foto op het journaal zag en er een fragment van zijn preek werd uitgezonden. Ik herinnerde me bij de begrafenis nog zijn zwart gesluierde vrouw. Zelfs de naam van zijn moordenaar wist ik me nog te herinneren. Maar zoals dat toen ook al ging: het nieuws van die aanslag werd al snel overschaduwd door een volgende, die een herhaling leek van de aanslag op destijds president John F. Kennedy.
Maar op die camping hoorde ik voor het eerst weer die naam van die zwarte predikant. Ik keek in de richting van het geïmproviseerde doel, waar de kleine man nu als keeper plaats had genomen. Misschien, als ik toen geweten had, dat de beroemde woorden van Martin Luther King uit de pen van deze man waren voortgevloeid, dat ik de moed zou hebben gehad om hem iets te vragen.
‘I’ve been to the mountaintop’, sprak Martin Luther King in zijn laatste toespraak op 3 april 1968, de avond, voor hij vermoord zou worden. Ik ben op de berg geweest. En net zoals in de evangelien verteld wordt hoe Jezus op die berg van gedaante verandert – hoe zijn kleren helder wit gingen glanzen en vervolgens Elia samen met Mozes aan hen verscheen – zo lijkt ook Martin Luther King in gesprek met Mozes. Want, zo lees ik verder:

‘Zoals iedereen zou ik graag een lang leven willen leiden. Levensduur heeft zijn plaats. Maar daar maak ik me nu geen zorgen over. Ik wil gewoon Gods wil doen. En Hij heeft me toegestaan naar de berg te gaan. En ik heb een blik aan de andere kant kunnen werpen. En ik heb het Beloofde Land gezien. Ik zal er misschien niet samen met jullie kunnen binnengaan. Maar ik wil dat u vanavond weet dat wij, als een volk, het beloofde land zullen bereiken’!

Toen, in 1968 en vier jaar later op die camping had ik geen idee hoe profetisch deze woorden waren geweest. Net zoals Petrus had ook ik kunnen voorstellen om nog eens drie tenten op te zetten. Plaats genoeg. En zo kreeg ook Martin Luther King in het oor gefluisterd, dat hij beter thuis kon blijven dan naar het racistische Memphis gaan om daar de boycottactie van de gezondheidswerkers te ondersteunen.
En wat ik vroeger nooit begreep – kwam er plotseling op die berg een dichte mist opzetten? – wordt voor mij nu in één klap helder. Want het lijkt alsof er op die avond van 3 april ook een stem uit de wolk heeft geklonken. Want zo besluit King zijn rede:

‘En dus ben ik blij, vanavond. Ik ben niet ongerust. Ik vrees niemand! Mijn ogen hebben de glorie van de komst van de Heer gezien.’

In de week, waarop Billy Graham, die andere grote evangelist, is overleden, wordt mij opnieuw het verschil tussen die twee duidelijk. Waar Billy Graham tijdens zijn leven een graag geziene gast in het Witte Huis was, werd Martin Luther King daarentegen geweerd en werden zijn medewerkers op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Waar Billy Graham in alle rust op hoge leeftijd stierf, werd de stem van Martin Luther King met geweld tot zwijgen gebracht. Een lot, dat hij deelde met Mahatma Gandhi, Dietrich Bonhoeffer en later met Jitschak Rabin in 1995, Olof Palme in 1986, Oscar Romero in 1980 en Robert Kennedy, vlak daarna.
Want het lijkt bijna een natuurwet in de geschiedenis: mensen van een visionaire statuur; mensen, die als het ware hun visioen symboliseren; mensen, die in levende lijve gestalte zijn van de droom en de hoop die in hun leeft, zijn meer dan eens in de geschiedenis het doelwit geweest van moordenaars en aanslagplegers. Wat Jezus in het evangelie doet verzuchten:

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels hoedt, maar jullie hebben het niet gewild.

Maar net zomin als de stem van Jezus tot zwijgen is gebracht, maar nog elke zondag uit het evangelie ons toespreekt, zo lijkt ook de stem van Martin Luther King nog steeds hoorbaar: in de Verenigde Staten in het protest van scholieren tegen het ongebreideld wapenbezit, in het protest van zwarte burgers tegen ongebreideld politie-geweld. En onlangs in ons eigen land; vlakbij om de hoek tijdens de opening van de tentoonstelling in het Drents museum.
Want daar sprak tot mijn verbazing onlangs bij de onthulling van het Asser Statue of Liberty op de Kop van de Vaart in Assen die kleine man van de camping van toen.
En net zoals zijn voetbal-instructies toen, lieten ook nu de woorden van de voormalig persvoorlichter en speech-schrijver van Martin Luther King niets aan duidelijk te wensen over, toen hij daar aan de Drentse Hoofdvaart zijn gehoor voorhield:

“Dr. King zag racisme, armoede en oorlog als onafscheidelijk met elkaar verbonden.
Racisme in Amerika leidde tot slavernij en later tot Apartheid. Drenthe heeft de verschikking van oorlog, een resultaat van racisme, op eigen grond ervaren. Kamp Westerbork laat het ultieme resultaat van fascisme zien. Amerika heeft dit ervaren in de Burgeroorlog. Dr. King zei dat je je strijd zo moet uitvoeren dat je na die tijd met je vijand kunt leven. Want alleen liefde kan een vijand tot vriend maken. Dr. King droomde van een tijd wanneer de zonen van vroegere slavenhouders en kinderen van de slaven naast elkaar zouden kunnen zitten aan de tafel van broederschap.
Zo droom ik van een dag wanneer: paspoorten overbodig zijn, er geen grenzen meer zijn en mensen kunnen wonen waar ze willen, overal op Gods aarde en mensen, ongeacht ras, kleur, klasse of sekse elkaar met respect en in Liefde behandelen; dat mensen elkaar een huis, scholing, werk en gezondheidszorg gunnen, dichtbij en veraf; dat er ziekenhuizen worden geplaatst in plaats van bommen af te gooien; dat talenten de kans krijgen ontwikkeld te worden, zodat we nog meer prachtige kunst mogen ervaren; dat persvrijheid en kunstvrijheid vanzelfsprekend is.
En dat de miljarden worden uitgegeven aan preventie van oorlog in plaats van aan wapens en dat miljoenen geweldloze vredeswerkers worden in plaats van soldaten met een geweer op de rug.
En dat geen volk neemt nog de wapens op, nooit meer bereidt men zich voor op een oorlog. Ieder zit dan onder zijn wijnstok of vijgenboom, rustig door niemand opgeschrikt.

Ik probeer me voor te stellen hoe deze woorden uit de mond Martin Luther King zouden hebben geklonken. En dan niet in de provincie, maar op het binnenhof. Of op die plek, waarop ooit Martin Luther King zelf de troonrede van het koninkrijk van God uitsprak.