Welke herder blijft thuis wachten?

Meditatie zondag 11 september 2016

lezingen: Exodus 32:7-14; Lucas 15:1-10

We kennen de gelijkenissen van Jezus door en door. Maar ooit hebben ze als nieuw geklonken, toen Jezus ze aan zijn toehoorders vertelde; ooit heeft Lucas het voor het eerst opgeschreven en zijn ze ooit voor het eerst voorgelezen en voor het eerst gehoord. Ooit moeten we zelf ook voor het eerst hebben gehoord. En weten we nog, wat ons toen daarbij opviel, toen we deze verhalen, voor het eerst hoorden.
Zelf weet ik het niet meer zo goed: ik heb er teveel over gelezen, te vaak ook over gepreekt en als je dan je oude preken er op na leest , dan is de verleiding groot om die een beetje aan te passen; en klaar is kees.
Niet alleen is dat mij eer te na, maar ook heb ik het gevoel dat ik u tekort doe.
Maar bovendien is mij deze keer iets opgevallen in de tekst, wat ik zo nog nooit eerder had opgemerkt. En dat is de blijdschap, de vreugde. De schaapherder legt het schaap, dat kwijt was vol vreugde op zijn schouders; de vrouw, die het muntstuk kwijt was, roept als ze het gevonden heeft, haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.”
Op het eerste gezicht is dat een overtrokken redactie van de vrouw, vindt u ook niet. Overtrokken, overdreven om har vriendinnen en buren uit te nodigen, toch?
We raken allemaal wel eens een muntstuk kwijt en soms merk ik dat niet eens. Nee, de munten lijken allemaal op elkaar en hoe zouden we de een van de andere kunnen onderscheiden? Hooguit dat we zeggen: hee, ik dacht dat ik meer geld bij had. Maar wanneer merk je dat je een muntstuk mist?
En als schaapherder: hoe merk je nou dat je op 99 schapen er één mist? In die tijd werden schapen niet genummerd, laat staan gescand of  geregistreerd. [1] Dus, als je ze alle honderd al uit elkaar zou kunnen houden, hoe zou je dan merken dat je één mist?

Ja, dat is de vraag: wanneer merk je dat je iets mist? Zo erg mist, dat je er alles voor over hebt om het terug te vinden?

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Dit gedicht van Ida Gerhardt – geboren en geschreven uit een diep gemis – verwoordt het gevoel van mensen, die iemand missen, hebben moeten missen. En alles, alles er voor zouden hebben om die ander te vinden. Want zolang je gemist wordt, zolang – hoe verdrietig en schrijnend ook – ben je er paradoxaal genoeg nog als degene die gemist wordt.

En dat is dan ook de drijfveer van de herder om op zoek te gaan; hij mist er één. En hij kan er niet mee leven dat het als vermist moet worden opgegeven. Hij kan het niet over zijn hart verkrijgen om het als een verliespost te zien. Hij kan er niet mee leven dat het als afgeschreven moet worden beschouwd. En dat is al bijzonder, want kennen wij niet het spreekwoord: ‘aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet?’. En weten we niet uit ervaring hoe gemakkelijk mensen worden afgeschreven? Voor jou tien anderen. Hoe gemakkelijk mensen, die lange tijd bij eenzelfde bedrijf hebben gewerkt en een schat aan ervaring hebben opgebouwd, dan opeens worden ontslagen. Waarop iemand tegen me zei: we worden steeds meer inwisselbaar. En dus niet meer gemist.

Is het in de kerk anders? Ik merk aan mezelf, dat ik tijdens de vakantie de kinderen heb gemist en ik kan niet ontkennen dat ik blij ben om ze weer te zien.  Maar om op zoek te gaan zoals die herder naar het verloren schaap, is overdreven. Want ze hebben ouders en broertjes en zusjes. Die als herders over hun waken. Toch? En ik herinner me van vorig jaar op Terschelling toen er twee kinderen vermist werden, er onmiddellijk een zoektocht werd georganiseerd. En dat we amber alert hebben, als een kind vermist wordt.

Weet u, het zegt iets over de kwaliteit van onze samenleving. Het zegt iets over de waarde van een leven. Een kinderleven. Want ik ben op een plek geweest, waar kinderen niet worden vermist, maar worden verwijderd, nadat ze zijn doodgeschoten.[3]

Ik kon het ook niet geloven, totdat Robert mij op zijn IPhone een foto liet zien, die een voorbijganger had gemaakt: drie jongens onder een lantaarnpaal liggend in een plas bloed. De fotograaf was net op tijd; even later zouden de lijken worden weggeruimd en zou er geen haan naar hebben gekraaid.
En als ik er over vertel, van mijn ervaringen in Rio de Janeiro in de favela’s , vragen mensen mij: en wat heb je er nou van geleerd? Niet alleen voor jezelf, maar ook voor ons, als gemeente?
Een collega van mij schreef dat hij als herder een dag had doorgebracht tussen de schapen.

“Ik bevond mij met wat collega’s tussen de schapen van Chris en mocht met laarzen en overall met de herder meelopen. Het werd een leerzame dag waarop ik op een nieuwe en frisse manier keek naar mijn kwaliteiten en die van mijn kudde.”

Ik ben met een andere herder  meegelopen: iemand die met gevaar voor eigen leven verloren schapen opzoekt en ze terug bij een kudde probeert te brengen.  Daar wist de herder, waar ze te vinden waren; daar wist de herder waar hij zou moeten gaan zoeken. In de favela’s, op de pleinen, in de parkeerhuizen.
Maar waar in Goutum, waar in Leeuwarden, Friesland bevinden zich hier de verloren schapen? Waar moet je ze hier zoeken?  Zijn er hier überhaupt wel verloren schapen? In het aanloop huis? In het FEC?
Ik sprak zondag met de beheerder van Markant; hij vertelde hoe op zaterdagavond groepjes jongeren uit de stad zich om de tent hadden zitten te bezatten; een meisje was zelfs laveloos afgevoerd. Zijn dat de verloren schapen of zijn het de vluchtelingen, die hier asiel proberen aan te vragen?  Of zijn wij hemzelf? Verdwaald, verstrikt in schulden, intriges. Niet wetend wat we met ons leven aan moeten, niet wetend bij welke kudde we willen horen?
Maar als ik er zo op doordenk, dan is het natuurlijk de vraag of het schaap zelf zich ook als verloren beschouwd. Misschien afgedwaald, maar verloren. Nee. Dat inzicht, dat je de weg kwijt bent, dat je ver van de kudde bent geraakt (wie of wat dat ook maar mag zijn) dat ontstaat niet zomaar.  Voordat je dat toegeeft aan jezelf, erkent dat je de regie kwijt bent, dat je je op een doodlopende weg bevindt, ja, wanneer erkennen we dat. Tegen onszelf?
Ik denk aan de jongen, die zichzelf zo volstrekt verloren beschouwde, maar tegelijk de moed had om dat te erkennen.

“Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”

En hij staat op om terug te gaan. Dat is het grote verschil met deze gelijkenis. De zoon keert uit eigen beweging terug.
Maar de herder beseft dat je dat niet van een schaap kan verwachten, dat het schaap uit eigen beweging terugkomt. Of dat, wanneer hij het roept, het schaap vanzelf naar hem toekomt. Als de herder zo zou denken, zou hij misschien wel eens heel veel geduld moeten hebben. Nee, maar omgekeerd gaat hij erop uit, trekt hij er op uit, uit zijn geriefelijke tent, uit zijn comfort zone  om te gaan zoeken.
Maar dat zou ook mijn vraag aan de herder in de gelijkenis: hoe weet je waar je moet gaan zoeken? De vrouw met de bezem weet dat de verloren munt zich in haar huis bevindt, dus ze pakt en bezem en veegt de hele boel bij elkaar net zolang. Maar een huis is nog wat anders dan een woestijn of zoals het vroeger heette: wildernis, verlatenheid. [4]

Maar als de herder het verloren schaap vindt, dan is hij vervuld met blijdschap. Hij tilt het met blijdschap op zijn schouders.   Zo, zegt Jezus, is er blijdschap in de hemel, als wij ons laten vinden, als wij God als de gelukkige vinder erkennen, onze gelukkige vinder. Blijdschap dus. Geen waarschuwende vinger, geen strenge blik, geen donderpreek, geen zure gezichten. Maar zoiets als wanneer Oranje een doelpunt scoort. Die blijdschap, die aanstekelijk werkt. Die de hele buurt, de hele straat er in betrekt.
En wie in deze blijdschap mee kan gaan, wie in deze blijdschap in kan stemmen, zich mee kan verheugen, die heeft werkelijk iets van God begrepen. Wie in die vreugde kan delen, die is zelf teruggevonden. En die zal niemand als vermist opgeven, maar blijven zoeken naar verloren mensen links en rechts buiten de kerk, maar niet in de laatste plaats ook binnen de kerk. Om hem, haar te vertellen: Wil je wel geloven dat God je al lang gevonden heeft?  Amen.

[1] http://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/dieren/dieren-registreren/schapen-en-geiten

 

[2] uit ‘De Slechtvalk’ (1966) van Ida Gerhardt (1905-1997)

[3] Robert Smits facebook 1september 2016

Paul van Rijn eindelijk na jaren weer terug in de favelas Pedra Lisa en Antares waar gisteren de politie 5 drugsdealers dood schoot.Tja de Spelen zijn weer voorbij!.

https://eveliens.wordpress.com/2013/09/02/kinderen-werden-voor-mijn-ogen-vermoord/

Volgens een in november 2015 gepubliceerd rapport van het Wereldbeker- en Olympische Spelen-volkscomité is in Rio “de hoeveelheid doden significant gegroeid tijdens mega-evenementen.” Het rapport meldt dat de politie in totaal 1.330 mensen heeft gedood in 2007, het jaar waarin Rio de Pan-Amerikaanse Spelen organiseerde. Dat waren 300 doden meer dan het voorgaande jaar. Vergelijkbare toenames waren te zien in 2013, toen de Confederations Cup werd gespeeld in Brazilië, en in 2014, toen het WK werd gespeeld in Brazilië.

Volgens onderzoek van UNICEF zijn jongeren in toenemende mate het slachtoffer van crimineel geweld. Het aantal vermoorde kinderen en tieners in Brazilië is meer dan verdubbeld tussen 1993 en 2013, met 10.500 vermoorde adolescenten in het jaar voor het WK.

Dat getal geeft Brazilië het op een na hoogste aantal moorden in de wereld voor slachtoffers onder de negentien jaar. Velen die geweld aanschouwen lijden daarna aan psychologische trauma’s. “Het stoort ons omdat we hier spelen en dan het schieten begint. De politie komt, pakt iemand op, slaat hem…,” zegt Silva. Ze leeft met haar familie vlakbij het veldje, waar politie en drugshandelaren regelmatig met elkaar botsen.

“Dit gebeurt sinds ik klein ben en ik ben er niet bang voor, maar het is slecht. Ik denk niet dat het gaat veranderen. Helemaal niet. Niet eens een klein beetje.”

Iemand die het favelaleven maar al te goed kent, is Robert Smits (54). Toen hij twintig was maakte hij een rondreis door Zuid-Amerika. Het eerste waarmee Robert geconfronteerd werd toen hij op het Centraal Station van Rio de Janeiro kwam, waren de tientallen straatkinderen die er rondzwierven. Het greep hem vast en liet hem niet los. Een jaar later besluit Robert naar Brazilië te vertrekken om de straatkinderen te helpen. Er wordt van alles in gang gezet. Uiteindelijk richt Robert de stichting REMER op, wat betekent: schuilplaats voor straatjongens en straatmeisjes. Ook richt hij een sportclub op, Sparta. Een tijd lang heeft Robert onder de mensen gewoond, in de favela Morro da Providência, omdat hij geen geld had om een normaal huis te huren. Het wonen onder de mensen in de oudste favela van Rio de Janeiro heeft Robert mooie dingen gebracht, maar hij heeft er ook doodsangsten uitgestaan.

“Acht moorden heb ik gezien. Voor mijn ogen zag ik hoe kinderen vermoord werden”, zegt Robert. Een van die moorden was bij een voetbaltoernooi van Sparta. Robert is scheidsrechter. Ongeveer 150 kinderen nemen deel aan het toernooi. “Op een gegeven moment komen er zes politieagenten aan. Ze beginnen te schieten. Moet je je voorstellen dat politieagenten schieten terwijl er 150 kinderen op de sportvelden staan!” Robert is verontwaardigd. Een dertienjarige jongen wordt vermoord. “Toen heb ik op het punt gestaan om te stoppen”, vertelt hij. Sparta moest een veilige plek zijn. En dat was het niet.

Robert is even stil. Hij vertelt over Andrè, een jongen die hem moed gaf als Robert de straat op ging om brood uit te delen aan de straatkinderen. “Andrè was ook een straatkind. Maar hij was een soort leider. En heel slim. Als ik met brood aan kwam zetten, was het een ongeorganiseerd zootje. Iedereen wilde brood hebben, op hetzelfde moment. Andrè kwam dan naar voren en droeg iedereen op om in een rij te gaan staan. Hij dacht mee met mijn werk en respecteerde me. Ik hield van die jongen.” Robert vertelt over een nieuw huis dat ze wilden openen om nog meer kinderen te kunnen helpen. Op de avond voordat het huis geopend werd, kreeg Robert telefoon. Het was een bedreiging. “De man zei dat als ik het huis zou openen, er iemand vermoord zal worden.” Hij haalt zijn schouders op. In die tijd kreeg Robert wel meer bedreigingen. De opening ging door. “Het was een groot feest! Bijna iedereen kwam opdagen, maar één iemand was er niet. Ik miste Andrè. Hij werd met tien kogels in zijn hoofd gevonden op de parkeerplaats. Hij was nog maar veertien.” Een dag later krijgt Robert telefoon van dezelfde man die hem de dag ervoor had bedreigd. De stem zei: “Zie je wel, je hebt het geopend.” Elke keer als Robert iets nieuws mag openen voor REMER, of een ander succes behaald, dankt hij Andrè. “Ik doe dan net alsof hij achter in de zaal zit en bedank hem dan voor zijn steun.”

http://www.vicesports.nl/hoe-straatkinderen-het-slachtoffer-dreigen-te-worden-van-de-olympische-spelen-in-rio/

Ik hoorde vuurwerk, afgestoken door uitkijkposten aan de rand van de wijk. Dit betekent dat de vijand er aankomt. Wij liepen snel door, hopend dat wij niet lastig gevallen zouden worden. Ineens raasden verschillende drugsdealers op motoren langs ons heen, zwaaiend met hun wapens de vijand tegemoet. Seconden gingen voorbij, toen klonken vele schoten. Wij gooiden ons in een winkel op de grond, binnenin stonden vele bewoners van de krottenwijk. Je hoort wel eens dat de krottenwijkbewoners gewend zijn geraakt aan het geweld, maar wat ik zag was pure angst op het gezicht van een ieder. De dealers stoven weer terug op hun motoren, zij hadden bericht gekregen om zich terug te trekken. Ik stak mijn hoofd om de muur en zag politie binnenkomen. Hoe was het mogelijk dat die drukke hoofdstraat in enkele seconden totaal leeg was!!! Wij wachtten nog even, voordat Helga en ik verder konden. De politie stond om een lijk heen.
Het plan was om nog een andere wijk te bezoeken die in principe veel gevaarlijker is, maar Helga – die eerder zei dat Rio wel meeviel wat veiligheid betreft – had het wel gezien en wilde liefst zo snel mogelijk terug naar de veilige en zuidelijke zone van Rio. Een week later werden acht drugsjongens in diezelfde straat vermoord!!! Wanneer komt hier de vredespolitie?