De kunst van het klagen

Meditatie zondag 16 oktober 2016

Lezingen: Genesis 32:23-32; Lucas 18:1-8

Allemaal hebben we ooit wel eens dezelfde ervaring opgedaan. Dat gewekte verwachtingen niet uitkwamen, sterker nog, dat mensen gewekte verwachtingen niet nakwamen. Dat we, om het zo te zeggen, bedrogen uitkwamen. En daardoor teleurgesteld of erger. Die ervaring kun je al als kind hebben opgedaan. In je ouders, in de juf, meester, in Sinterklaas, de muziekleraar, de voetbalcoach. En later, op je werk, in je relatie. De ander maakt de verwachtingen niet waar, heeft ze niet waar kunnen maken.
Ook in de kerk zijn vaak hoge verwachtingen gewekt, hebben dominees, pastoors verwachtingen gewekt, soms van zichzelf, maar veel vaker van hun grote broer: God in de hemel.
En soms waren het alleen maar de woorden, de verhalen uit de bijbel, waardoor je als kind kon gaan denken: God kan alles. Nooit kan het geloof te veel verwachten, zongen we vroeger met opgewekt gemoed. Gezang 291 . Des Heilands woorden zijn gewis. We vinden het niet terug in het nieuwe liedboek , maar nog steeds wekken we met onze geloofsbelijdenissen de verwachting dat God almachtig is. Als je dan als ouder, als leraar, als docent, als dominee niet op tijd uitlegt, dat dit woord ‘almachtig’ zo niet in de bijbel voorkomt, maar via Augustinus en Calvijn uit de Griekse en stoïcijnse filosofie in onze geloofsleer terecht is gekomen, dan gebeuren er ongelukken.
Omdat God niet ‘almachtig’ is in de zin van dat hij alles kan en alles zo heeft gewild en bepaald en dus alles door Hem is welgedaan. Of zoals bevindelijke christenen plachten te zeggen: het wordt je door geen vreemde aangedaan. Waarop ooit rabbijn Harold Kushner schreef: mijn Gods is niet wreed, het spijt me voor de jouwe.
Maar zult u vragen, denken? Hoe zit het dan met de almacht van God? Hoe zit het dan met verhalen dat Hij Israël heeft gered, dat Hij zijn volk uit de ballingschap heeft geleid, dat Hij zijn kind uit de dood heeft opgewekt en noem maar op? Op zo’n moment schiet het evangelie van vandaag ons te hulp, als Jezus een verhaal, een gelijkenis vertelt over een rechter. En God vergelijkt met een rechter.
In dat woord ‘rechter’ zit het woord ‘recht’ verborgen. Zoals een loodgieter lood giet, zo maakt een rechter weer recht. Althans, voor zover het in zijn/haar vermogen ligt. Maar dat weten we allemaal: een rechter is geen brandweer, geen ambulance chauffeur; nee, een rechter oordeelt altijd achteraf en probeert recht te zetten wat krom is; probeert onrecht ongedaan te maken, probeert de benadeelde recht te doen en het recht te herstellen. Let wel: ik heb het over de functie van de rechter in de bijbel, toen men nog nooit van advocaten had gehoord. Dat viel in die tijd nog samen: de rechter was tegelijk advocaat.
En nu terug naar het woord ‘almachtig’. Als de weduwe bij de rechter aanklopt, dan hoopt zij dat hij sterker, machtiger zal zijn dan haar tegenpartij. “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” Waar zij op aandringt is, dat hij zijn rechterlijke macht zal doen laten gelden, dat hij recht zet, enzovoort. Kortom, dat Hij waarmaakt, wat hij zegt te zijn. Nl. rechter.
En dan zitten we in het hart van het bijbels geloof, dan zitten we bij de kern van het testament van profeten en evangelisten, dan zitten we bij de diepste overtuiging van Jezus zelf. Maak nu eindelijk eens waar, wat u zegt te zijn.

Die zegt God te zijn
laat hij tevoorschijn komen,
wat hebben wij aan een naam alleen
laat hij opstaan dat wij hem zien.
Stem uit het vuur wolk in de verte
zijn niet genoeg
voor deze aarde van scherven en rook
waar ons geen leven gegund wordt

Wat is dit gebed van Huub Oosterhuis anders dan een roep tot God om zijn Naam waar te maken. Een naam, die inderdaad verwachtingen wekt.

Woorden en wonderen zijn er genoeg
en goden van goud en beloften
maar niet een god als een hand die bevrijdt
iemand die doet wat hij zegt.

En die op grond van die verwachting de hoop voedt dat Hij ooit zal rechtzetten en de martelaars en slachtoffers in ere zal herstellen. Bij, zoals dat dan heet, ‘de wederopstanding des vleses’ ;
Zoals de weduwe de rechter tot vervelens herinnert aan zijn ambt, zijn taak, en de rechter bijna bang wordt dat zij hem misschien met tomaten en rotte eieren zal bekogelen , zo zegt Jezus, moeten we God blijven herinneren aan Zijn naam, aan Zijn ambt. Net zo vasthoudend, als Jacob in het gevecht met de engel. Net zo vasthoudend als de weduwe in de gelijkenis.
Is dat bidden? Ja, maar dan in een vorm, die we bijna verleerd zijn. Dit bidden is eigenlijk klagen, aanklagen. Het tegenovergestelde van berusten en aanvaarden, zoals ons vroeger geleerd is. Maar het verschilt ook van ‘vragen’. Vragen verwacht een antwoord, een reactie, een respons, een verklaring. Een, noem maar op.
Maar een pasgeboren kind kan nog niet vragen, heeft nog geen taal, kent nog geen woorden. En het kan daarom alleen maar huilen. En doet dan niet elke moeder, vader intuïtief wat haar /zijn hart hem/haar ingeeft? Dat we het uit de wieg halen en tegen ons aan drukken; het zo te laten merken dat we haar huilen hebben gehoord en zo proberen te troosten door het onze aanwezigheid te laten voelen?
Als een moeder, een vader intuïtief zo handelt, zal God, zegt Jezus dan, zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen laten wachten?
Want wie klaagt, of aanklaagt, heeft de hoop (nog) niet opgegeven.
Maar zoals de schrik ons om het hart kan slaan, als een baby stopt met huilen, zo zegt Jezus, houdt God zijn hart vast of mensen de hoop kunnen blijven vasthouden en de Mensenzoon nog wel hoop zal vinden op aarde. Amen.