Als mensen het met woorden opnemen tegen…. (n.a.v . ‘Een woord een woord, Frank Westerman 2016

Meditatie ds. Gerard Rinsma zondag 15 mei 2016 50ste dag na Pasen (pinksteren)

 Profetenlezing: Joël 3
Epistellezing: Handelingen 2: 1-11
Evangelielezing: Johannes 20:19-23

Lieve mensen, Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik geloof, dat het vandaag de 30e keer is, dat ik een pinksterpreek houd. Ik weet: 40 is een bijbelser getal. En voor wie daaraan hecht: met Pasen was het dit jaar precies veertig jaar geleden, dat ik besloot om theologie te studeren. Dat wil zeggen: dominee te worden.
Tien jaar later was het dus zover en heb ik mijn allereerste pinksterpreek gehouden: hier 15 kilometer verderop in de Gereformeerde Kerk van Grou. Waar ik het toen over gehad heb?
Over de heilige Geest vermoed ik. Want het was nog voor het digitale tijdperk. Dus met de hand uitgeschreven en als u het precies wilt weten, dan ga ik nog wel eens heel diep spitten. Maar vanaf 1993 is het gemakkelijker zoeken, want in dat jaar deed de computer z’n intrede in de pastorie. En het zou een koud kunstje zijn om een oude preek uit de la te trekken en dan in de digitale magnetron. Maar dat gaat niet. U bent veranderd, ik ben veranderd, wij allemaal zijn niet meer dezelfde. Sommigen van ons waren toen nog niet eens geboren. Maar meer dan nog wij zelf, is de wereld veranderd.

Het feest van Pinksteren, van de uitstorting van de Heilige Geest, wordt ook dit jaar overschaduwd door berichten, die het lijken tegen te spreken. De massamoord in Rwanda vervult een ieder met grote ontzetting, en nu er langzaam beelden binnenstromen van de slachting onder onschuldige burgers in dat land kunnen we niet anders dan met walging en afgrijzen reageren.

Dat was in 1994.
En een jaar later ging mijn pinksterpreek over enthousiasme en scepsis. En vertelde ik dat ik sceptisch werd bij de massa mensen, die Ajax kwam huldigen of die naar de Stones kwam kijken. Maar in 2002 had ik het over een andere geest, die uit de fles was. Dat gevoel, zo vertelde ik, heb ik de laatste dagen heel sterk gehad. Vanaf het moment, dat ik het bericht hoorde van de moord op Pim Fortuyn.
Zo kan ik nog wel even doorgaan: in 2005 had ik het over First Lady Laura Bush, die tijdens een bezoek aan de kerk van Houthem Sint gre-lach voor een dichte deur had gestaan. En in 2009 over de verkiezing van de Minderbroederskerk van Roermond tot mooiste kerk van Nederland.“ En in 2010 over de paniek, die uitbrak tijdens de herdenking op de Dam. In 2011 toen ik net terug van een bezoek aan Israël en Palestina en ik vroeg ik me af: op welk plein zou Petrus hebben gestaan? Of in welke straat? En ook of ik het zo aandurven om in Petrus’ voetsporen op te staan en mensen in het openbaar toe te spreken? En in 2012 over Pinkpop. En vanaf 2013, ik bedoel 2014 zult u nog wel weten te herinneren. Nee? Toen had ik net op het Fries Straatfestival gespeeld. En vorig jaar?
En als u me vraagt; heb je na al die jaren nog iets nieuws te zeggen?, dan had ik tot eergisteren nog een beetje verdrietig gekeken. Tot eergisteren. Want op donderdagavond woonde ik een interview bij met schrijver Frank Westerman over zijn jongste boek: een woord een woord. In dat boek gaat hij terug naar het dorp van zijn jeugd, Assen, en dan met name de gebeurte-nissen, die destijds op hem een enorme indruk hebben gemaakt: de treinkaping bij Glimmen-de Punt . Pinksteren 1977. En toen hem donderdag gevraagd werd naar zijn motief, las hij een paar regels voor uit zijn boek:

Sinds 9/11, de moord op Theo van Gogh, en helemaal sinds de beulen van IS hun onthoofdingsfilmpjes online zetten, vraag ik me of of wij als samen-leving überhaupt wel een verbaal verweer hebben tegen terreur. Zachte kracht, wie gelooft er nog in? Praten noch schrijven haalt iets uit, de zwarte vlag en de kalasjnikov rukken op. Nog even en een pen voelt aan als een antiek instrument, op een oubollige manier museaal.
Ik moet me schrap zetten om mijn verslagenheid niet te laten omslaan in cynis-me. VOOR WIE DE NUANCE ZOEKT, luidde het credo van de krant waar-voor ik jarenlang verslag deed. Flikker toch op, met keelsnijders valt niet praten. Stuur drones, kill them all.

Om er aan toe te voegen: Als taal en terreur het duel met elkaar aangaan, welke van die twee legt het dan af? De verblinding van de terrorist versus de verbeelding van de schrijver. Wie wint?

En als Westerman aanhaalt hoe hij de avond na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo met een pen in zijn handen op de Dam heeft gestaan, valt de interviewer hem bij: “zo hebben wij hier in Leeuwarden ook gestaan.” “En denk je dan niet”, zo vroeg Westerman terug, “wat haalt een vulpen uit tegen een kalasjnikov?”
En toen wist ik waar het vanmorgen over zou moeten gaan. Want lang geleden stond de evangelist Lucas voor het zelfde dilemma. Kiezen voor het zwaard of de pen?

In mijn eerste boek, zo schrijft Lucas aan Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.

En u kunt het hele boek Handelingen er op nalezen; maar nergens roept Lucas op tot een heilige strijd; nergens verheerlijkt hij in zijn boek geweld tegen vijanden of ongelovigen; nergens nemen de apostelen hun toevlucht tot wapens; nergens wordt er iemand ver-moord. Ja, wel door de tegenstanders: de leden van het Sanhedrin , Saulus , koning Herodes. Ze oefenen een ware terreur uit om de aanhangers, de volgelingen van Jezus Christus te intimideren of zoals Lucas schrijft: om de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen met geweld uit hun huizen te sleuren en hen te laten opsluiten in de gevangenis.
Maar tegelijk, als u Handelingen doorbladert, zult u ontdekken, dat het enige wapen, dat de apostelen daartegenover stellen, dat van het vrije gesproken woord is. De éne na de andere redevoering wordt er afgestoken: niet alleen door Petrus of Paulus, maar ook door diaken Stefanus. En als Lucas vertelt hoe enkele leden van de synagoge tegen hem in verzet komen en met hem beginnen te redetwisten, dan is het veelzeggend dat ze niet óp kunnen, niet tegen zijn wijsheid en niet tegen de heilige Geest die hem bezielde. En als Stefanus zich dan even wel-sprekend verdedigt tegenover de Hoge Raad, dan knarsetanden de leden van woede. Waarop Stefanus vervuld van de heilige Geest zijn blik op naar de hemel slaat en uitroept:
‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.’
En dan geeft Lucas opnieuw een veelzeggend detail: niet alleen beginnen ze te schreeuwen en te tieren, maar ook houden ze hun handen voor hun oren en stormen ze met zijn allen op hem af.
Blijkbaar is de macht van het vrije gesproken woord zo groot, dat de tegenstanders hun oren er tegen moeten beschermen en hem met geweld het zwijgen willen opleggen.
En u kunt de toespraken van Paulus er op nalezen: in de synagogen, en voor gerechtshoven, voor Festus, voor Agrippa en Bernice en zelfs op de Aeropagus van Athene : overal laat Lucas blijken dat er tegen de overtuigende kracht van het vrije gesproken woord geen wapen opgewassen is.
Maar voordat u zich nu misschien afvraagt: wat is nu het verband met Pinksteren en de uitstorting van de Heilige Geest? Dit: de overtuigingskracht van het vrije gesproken woord is te danken aan de werking van de Geest. Want nadat Lucas door de tekenen op het Pinksterfeest – het geluid van een geweldige windvlaag; vuur, dat zich op de hoofden verdeelt, kortom: de uitstorting van de Heilige Geest in verband heeft gebracht met de verbondssluiting op de Sinaï vertelt hij hier in Handelingen 2 hoe Israëls God zich dit keer niet op een hoge berg of in een heilige tempel manifesteert, maar in een gewoon huis bij gewone mensen. Bij doodgewone leerlingen, voormalige vissers uit Galilea; zij worden de dragers van Gods aanwezigheid, van Zijn werkzaamheid. En het zichtbare resultaat van die ongrijpbare Geest is dat het de leerlingen aanzet, het lef geeft om in het openbaar te spreken. Om met Frank Westerman te spreken, de pen te pakken en een pamflet te schrijven. Maar dan zo, dat wat er gezegd wordt, ook gehoord wordt, verstaan, begrepen, overkomt, binnendringt en ten slotte overtuigt. Dat vrije gesproken woord heeft geen aanslagen nodig om gehoord te worden, geen youtube filmpjes met gruwelijke executies om opgemerkt te worden. Het overtuigt uit zich zelf door – dat wil zeggen – door de werking van de Heilige Geest.
Maar er is nog iets, wat die Geest – die uitstorting van de Geest – bewerkstelligt: En dat is dat de leerlingen uit hun schulp komen. Of misschien moet ik het duidelijker zeggen: uit de rol van slachtoffer treden. Want zo voelden ze zich, nadat Jezus, hun leider, hun meester, hun rabbi, hun voorman was gekruisigd, geëxecuteerd. Ze waren bang geworden. Geïntimideerd door de gruwelijke wreedheid van het Romeinse regime. En dat was ook precies de bedoeling. Van de keizers van toen tot aan de dictators van nu. Poetin, Erdogan. Om de beweging, die Jezus van Nazareth, voorgoed de kop in te drukken. Zelfs de opstanding bracht hierin geen verandering. Want ook na de opstanding bleven de leerlingen, zo vertelt Johannes, bang achter gesloten deuren zitten. Als prooi, die zich wanhopig probeert te verstoppen. Maar dan opeens – gedreven door de Geest – treden ze uit die slachtofferrol, uit de rol van lijdend voorwerp en pakken de regie, nemen het initiatief.
Met Pinksteren stelt de Geest de leerlingen in staat om het slachtofferschap te overwinnen, die enkel en alleen door het vrije woord een regime in de verdediging kunnen dringen. Mét een totaal nieuwe boodschap: Jezus van Nazareth is niet langer het slachtoffer van vernederende machten, maar de door God verhoogde Zoon, die aan de rechterhand van Zijn Vader troont. Mensen, die door dat nieuw geschonken perspectief op de kruisiging en dood van Jezus van Nazareth en door de overtuigingskracht van het vrije woord daardoor de rollen omdraaien. Van slachtoffers worden zij nu, ja, wat worden zij? Laat ik de vraag aan mezelf, aan u, aan ons stellen. Wat worden wij, als wij stoppen met onszelf te beklagen? Wat worden wij, als wij ophouden met ons als slachtoffer te gedragen? En uit onze schulp van zelfbeklag kruipen? En wat, als wij als kerk uit die rol stappen? Niet langer klagen over marginalisering, ledenverlies, secularisatie en noem maar op, maar in de voetsporen van Petrus treden; en doen waar toe de Heilige geest ons aanzet: om vrijmoedig het vrije woord te durven hanteren.
Twee weken geleden hebben we hier in deze kerk nog een adembenemend voorbeeld van gezien; van en jonge joodse vrouw, die weigerde om zich als slachtoffer van de Nazi-onderdrukking te beschouwen. Haar enige wapen tegen de grootste misdaad in de geschiedenis van de mensheid, was haar pen, haar dagboek, waarin ze deze heroïsche woorden schreef:

“Het zijn bange tijden mijn God. (…) Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft… En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je niet ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Míj zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. (…) Voor het grote heroïsche lijden, heb ik genoeg krachten, maar het zijn meer de duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen. (…) En ik zal je alle bloemen brengen, die ik op mijn wegen tegenkom, mijn God, en werkelijk, dat zijn er heel vele.”

De stem van Petrus, van Stefanus, van Paulus, de stem van Jezus Christus, de stem van Etty Hillesum zal uit eindelijk sterker blijken dan de machten, die hen met geweld het zwijgen willen opleggen. De stem van het vrije woord zal het uiteindelijk winnen. Door de kracht van de Heilige Geest. In dat vertrouwen durfde Jezus van Nazareth zijn woorden, verhalen, daden en uiteindelijk zijn leven te zaaien, in dat vertrouwen koos Lucas voor de pen en het papier; in dat vertrouwen hebben christenen zijn woorden bewaard en doorgegeven. In dat vertrouwen hebben we ze vanmorgen opnieuw laten klinken en heb ik geprobeerd ze opnieuw uit te leggen.

Zoals de wind waait
zonder op te houden
niet altijd uit dezelfde hoek
zoals het vuur verwarmt
zonder zelf warmte te verliezen
zo blijft de geest
van alle kanten
verwarmend werken
geeft mij een nieuwe taal
om aan te spreken
een kracht van binnen uit
die moet getuigen
(al denken sommigen
ook dat ik dronken ben
dat raakt mij niet)
ik spreek van eenheid
in verbrokkeld leven
ik spreek van licht
in toegenomen duisternis
ik smelt het ijs
van het ontzettende verkillen
verander haat – torenhoog opgetast –
met tongen als van vuur
langzaam maar zeker
in de geest van God
die liefde heet.

Amen.