Leven vanuit een barmhartig universum

Meditatie ds. Gerard Rinsma zondag 26 juli 2015 Evangelielezing: Marcus 5:22-43

Als je het evangelie van Marcus leest, dan lijkt het genezen van mensen wel het belangrijkste wat Jezus in zijn aardse leven heeft gedaan.

Gewoon mensen beter maken en hen vertellen dat God hun zonden vergeven heeft. Maar dat was in die tijd op zichzelf zo bijzonder dat het nieuws over Jezus zich algauw overal in Galilea verspreidt. (de rop fan Him gong as diggelfjoer hiele Galiléa troch). Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm en het bekend werd dat hij weer thuis was, stroomden er zo veel mensen toe, dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was. En precies zo is het als, Jezus met zijn leerlingen vertrekt en weer naar het meer gaat. Een grote mensenmenigte komt naar hem toe om naar hem te luisteren. Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon komen veel mensen naar hem toe, omdat ze gehoord hadden wat hij allemaal deed. Daarom zei hij tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.
Dat zouden we hier in Goutum mooi kunnen uitspelen: een bootje hier aan de wal en dan naar de overkant om aan de mensen te ontkomen. Dat zou wat zijn.
Maar zonder gekheid: allerlei zieke mensen verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. En telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’
Dus zo vreemd is het niet, als een vrouw hem even wil aanraken. Met opzet, dat zeker. Want net als de anderen geloofde ook zij dat alleen al het aanraken van zijn mantel haar zou helpen. Meer durfde ze ook niet, want door haar ziekte was ze permanent onrein. En daarom ging elk haar uit de weg. Want wie haar zou aanraken, werd zelf ook onrein.
Wij weten niet wat Jezus gedaan zou hebben, als zij hem op de man af gevraagd zou hebben. Maar dat durfde de vrouw niet, bang dat ze dan misschien opnieuw afgewezen zou worden. Dus daarom doet ze het stiekem in de hoop dat niemand het zal merken. Nee dus, want nadat ze hem had aangeraakt, en Jezus zich ervan bewust werd dat er kracht uit hem was weggestroomd, draait hij zich midden in de menigte om en vraagt: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ En als de vrouw voor hem op de knieën valt en alles eerlijk opbiecht, dan zou je verwachten dat Jezus tegen haar uitvaart: “weet je wel dat je mij onrein hebt gemaakt!“ Maar Jezus reageert precies tegenover gesteld. Hij veroordeelt haar niet, verwijt haar niets. Maar integendeel, hij vertelt dat dit zijn bedoeling is, dat hij hier voor gekomen is: om mensen te redden, te helpen, te genezen. Zelfs als ze onrein zijn zoals deze vrouw. En ook al heeft ze hem, Jezus, door haar aanraken ook onrein gemaakt, dan is Jezus niet kwaad, wordt hij niet ‘grimmitich’, maar geeft hij haar een groot compliment: Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal.’
Met deze woorden, met deze verklaring breidt Jezus zijn missie opnieuw uit. Hij is niet enkel gekomen om te redden, te genezen, maar ook om het taboe op onreinheid te doorbreken. Hij durft onreine mensen aan te raken en hij staat toe dat onreine mensen, zoals melaatsen, maar ook menstruerende vrouwen, hem mogen aanraken.
Want, zo houdt hij zijn hoorders voor, als er al dingen zijn, die een mens onrein maken, dan zijn dat dingen die van binnen komen. Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ En zo gaat hij verder: ‘want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ Maar zoiets natuurlijks als menstruatie absoluut niet. En wij zijn er misschien al lang aan gewend, maar dat was in die tijd voor heel veel vrouwen een bevrijdende boodschap, een waar evangelie.
Mar er is nog een taboe dat Jezus doorbreekt. En dat is het denken dat ziekte en kwalen ons niet bij toeval overkomen, maar een bedoeling hebben. Dus met opzet op ons worden afgestuurd. Al weer een tijdje geleden kreeg ik een foldertje in hand geduwd: het moet beslist van een vrome club geweest zijn, want zo las ik:
Denkt u dat dit ziek zijn verloren tijd is? Zo is het niet. God heeft dit zo bestuurd en dat niet zonder bedoeling. Hij wil dat u erbij wint! Het kan zijn dat Hij u door dit ziek zijn tot inkeer wil brengen. En als hij ons dan lijden doet ondergaan, doet Hij dat uit liefde om ons te redden.
Maar Jezus gelooft niet in een moreel universum, waar alles met een bedoeling plaats vindt. Jezus gelooft niet in God, die met alles een bedoeling heeft. En dat ziekte ook nog eens het gevolg is van zonde. Want als vier man hun verlamde vriend naar hem toebrengen en hem dwars door het dak laten zakken, zodat hij vlak voor Jezus voeten terecht komt, dan vraagt Jezus niet: ‘wat heb je gedaan, dat je dit is overkomen?’ Nee, zonder omwegen zegt hij tegen de verlamde man: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
Waarop de mensen die het konden weten, verontwaardigd kijken: “Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!”
En dan laat Jezus zijn macht zien: er bestaat geen moreel universum, waarin God iedereen toedeelt wat hem/haar toekomt; er bestaat enkel een barmhartig universum. En Jezus leeft in, en handelt vanuit dat barmhartig universum, als hij zich keer op keer laat leiden door mededogen, door meelijden, door ontferming. In het fries hebben we daar zo’n mooi woord voor: begrutsjen. En daarom bestaat er in zijn ogen geen zonde, die niet zou kunnen worden vergeven. In Jezus’ eigen woorden: ‘ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven.’
Geen moreel universum, waarin God het ons allemaal uit zijn vaderlijke hand doet toekomen , maar een barmhartig universum, waarin de regen als tranen van verre sterren valt; een barmhartig universum, waarin de regen ons komt vertellen hoe kwetsbaar we zijn en fragiel.
We hoeven alleen maar te denken aan de crash vorig jaar met de MH 17. Of twee jaar terug, aan het plotselinge overlijden van een 17-jarige jongen  in onze gemeente.
En toen ik deze preek hield in Eernewoude, was er een mevrouw, die me na afloop meenam naar een kindergrafje. Twee van haar kinderen, die bij de geboorte waren gestorven, lagen daar naast elkaar. Haar man wilde naar de stad verhuizen, maar zij wilde in de buurt van haar kinderen blijven.
Ook in het evangelie lijkt het onheil niet te keren. Door het oponthoud lijkt Jezus kostbare tijd te hebben verspeeld. Want uit de synagoge komt men de leider van de synagoge het onheilsbericht brengen: ‘Uw dochter is gestorven.’
Maar ook hier legt Jezus zich niet bij de feiten neer, bij dit onheilsbericht, maar durft hij de confrontatie aan. Want als Jezus hoort wat ze tegen de leider van de synagoge zeggen, mengt hij zich er ongevraagd in en zegt tegen de vader: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’
Wat zal er door deze vader zijn heen gegaan. Wat voor tweestrijd? Wie moet hij geloven? Wie moet hij vertrouwen? De onomstotelijke feiten? De boodschappers van de onheilstijding, die op basis van de feiten hem adviseren Jezus niet langer lastig te vallen, of deze Jezus, die hem oproept om te geloven? En in wie, in deze Jezus? En de hoop niet op te geven. En op grond waarvan? Is Zijn God, de God van het barmhartig universum, machtiger dan de dood?
Degenen, die professioneel staan huilen en weeklagen, lachen hem uit, als Jezus tegen hen zegt: hou op met dat geklaag. Het kind is niet gestorven, het slaapt.
‘Die man is niet goed wijs, die man spoort niet’, zullen ze hebben gedacht. En zouden wij misschien niet net zo denken, gedacht hebben als zij?
Maar Jezus stuurt hen allemaal naar buiten en gaat met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij hem zijn de kamer van het kind binnen. Wist Jezus dan iets van coma? Wist Jezus dat dood-lijken of beter dood-schijnen niet hetzelfde hoeft te zijn als dood-zijn? Keek Jezus met andere ogen naar de dood dan iedereen in zijn tijd? Toen ze dood nog niet van een zware coma konden onderscheiden?
Onlangs was er op RTL een programma over een man, die lange tijd in coma had gelegen. Hij vertelde hoe hij al jongetje het wegzakte in een coma, hoe hij al zijn hersenactiviteiten verloor en dat de artsen zijn vader en moeder vertelden dat hun zoon waarschijnlijk, wel niet terug zou komen. Maar na zo’n drie jaar voelde Martin zijn bewustzijn terug keren. Enkel wilde zijn lichaam niet meewerken. Hij kon niet communiceren. Maar zo vertelde hij: zijn leven veranderde opnieuw, toen er een nieuwe verpleegster kwam. “Virna deed anders tegen me, ze praatte tegen me alsof ik alles begreep. Dat was een verademing. En na een tijdje pikte ze subtiele signalen op, waaruit ze opmaakte dat ik haar echt begreep. Ze overtuigde mijn ouders om tests te laten doen, waarna ik hulp kreeg bij de communicatie.” Hij ging revalideren en kreeg langzaam de regie van zijn eigen leven weer in handen.
De woorden van Jezus, waar hij het meisje mee aanspreekt, hebben de mensen van toen onthouden. Het zijn de originele woorden in de taal van Jezus zelfs. “Talitha kumi”. En in welke taal je ook de bijbel opslaat, overal vind je deze zelfde woorden terug. “Talitha kumi”. Wat in onze taal betekent: ‘Meisje, ik zeg je, sta op! Zo’n indruk hebben die eigenste woorden van Jezus gemaakt, dat ze in zijn moedertaal bewaard zijn gebleven. Want iedereen is met stomheid geslagen, als na die woorden het meisje opstaat en heen en weer begint te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen is met stomheid geslagen. Niet alleen vanwege het wonder. Nee, maar ook omdat dit laatste en grootste taboe is, dat Jezus slecht. Het taboe van de macht van de dood als straf op de zonde. Lees Paulus er maar op na.
Ook hier doorbreekt Jezus het moreel universum, dat zegt dat niemand voor zijn tijd gaat. En dat het zijn/haar tijd is geweest. Of dat het de wil van God is, dat iemand sterft. Ook al zou het nog een heel leven voor zich hebben gehad.
Jezus gaat hier dwars tegen dit denken in; en hij vergruizelt het taboe.
Hoezo was het haar tijd? Hoe zo de wil van God? Als jullie je ogen goed hadden gebruikt, as jim eagen yn ‘e kop han hienen, dan hadden jullie gezien, dat ze niet dood was, maar enkel sliep.
Maar Met wat voor ogen heeft Jezus dan gekeken? Met die van het medelijden? Of zoals dat zo mooi in het fries klinkt, met die fan it begrutsjen? Ja, dat zeker, maar ook met het vertrouwen in de kracht van Gods liefde.
En daar doet het natuurlijk het meeste pijn: waarom deze dochter van Jairus wel en die van ons niet? In een barmhartig universum is er op die vraag geen antwoord; zijn er alleen de tranen, die van verre sterren vallen.
Of zoals de ouders van een doodgeboren kindje in ons kerkblaadje schreven: Wij geloven dat ons kind in Zijn handen is en het nimmer de wil van God kan zijn geweest om dit kind het leven niet te geven. Het zal de onvolmaaktheid van ons bestaan zijn geweest.
En dan denk ik aan die andere moeder: Maria. Onder het kruis. Werd die onvolmaaktheid niet zichtbaar aan het kruis, toen de voorbijgangers hoofdschuddend toekeken en de spot met deze zelfde Jezus hem dreven: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ Werd die onvolmaaktheid niet zichtbaar aan het kruis, toen ze met leedvermaak spottende opmerkingen maakten: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet; laat die Messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’
Maar wat wij mogen geloven en waar we ons aan mogen vasthouden, is dat God zelf het moreel universum doorbroken heeft, vergruizeld, door deze Jezus op te wekken uit de dood.
En dat wij daarom moed mogen houden bij alles wat ons overkomt: dat God, de God van Jezus Christus, – en niet de God van Calvijn –
ons niet zal laten vallen. Net zoals die moeder tegen haar dochter van tien vlak voor een gevaarlijke operatie zei: “Wees maar niet bang. Als je weer wakker wordt, sta ik aan je bed en anders staat Jezus er.” “Ik heb eigenlijk liever dat jij er staat, mamma” zei het meisje “Ik ook”, zei haar moeder door haar tranen heen, “en Jezus wil dat ook liever. Maar soms gaat het nog niet zoals Hij graag wil.” Toen het meisje haar ogen opsloeg, zag ze Jezus, die met tranen in de ogen haar hand vasthield. “Thalitha Kúmi”, zei Hij, ” Meisje, ik zeg je, sta op!.” Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*