Als het noodlot mensen treft,

Meditatie ds. Gerard Rinsma zondag 8 februari 2015 vijfde na epifanie
Profetenlezing: 2 Koningen 4:18-21;32-37; Evangelielezing: Marcus 1:29-35

Toen deze week ds. de Jong overleed, moest ik denken aan een andere oude dominee uit mijn vorige gemeente.Hij was 98 jaar, toen hij stierf, bijna blind maar tot het laatst toe heel helder. Hij bleek ooit een collega te zijn geweest van ds. Klijn in het land van Maas en Waal, maar hij vertelde dat hij al in het voorjaar van 1940 predikant was geworden. Direct na zijn kerkelijk examen stond een legerpredikant bij hem op de stoep, die dringend iemand zocht.
En zo was hij naar een klein plaatsje in Twente vlak bij de Duitse grens verhuisd om daar de zaak waar te nemen. “Ik was daar een maand of twee of drie”, zo vertelde hij, “en toen brak de oorlog uit, de Duitsers trokken massaal door Enter heen, allemaal vrachtwagens, die naar het Westen gingen. Ik zou die dag een begrafenis moeten hebben, maar ja, dat kon niet, want de weg was versperd, waardoor alles in de soep liep; dat heeft één of twee dagen geduurd, want de volgende dag was het ook nog allemaal colonnes. En toen ik die begrafenis had, dat was op die middag, toen kwamen er alsmaar vliegtuigen van uit het westen naar het oosten. Toen bleek dat de Duisters Rotterdam gebombardeerd hadden en terugkeerden. Dat was een rot begin. En daar heb ik ook een vrouw moeten zeggen dat haar man gesneuveld is. Dus ik werd er meteen goed in gegooid.”
Maar toen ik hem vroeg hoe hij terugkeek op zijn werk, zei hij tot mijn verbazing, dat hij zijn leven toch eigenlijk als mislukt zag. “Want,” zei hij, “ik ben in het calvinistisch spoor gezet , waarin je eerst echt meegaat, maar gaandeweg stuit je op allerlei dingen, die je doen twijfelen. Op een gegeven moment zo erg dat je zegt : ik heb het toch eigenlijk voor niks gedaan.”
Wanneer hij dan was gaan twijfelen, wilde ik weten? Hij vertelde dat dat begonnen was bij die bekende tekst uit het Mattheüs evangelie, dat er geen mus ter aarde zal vallen zonder de wil van uw Vader. “Maar”, zei ik, “dat staat er toch helemaal niet! Er staat toch alleen: zonder uw Vader?” “Ja”, zei hij, “maar die tekst is altijd gelezen door de bril van de Catechismus. Die leerde dat alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Dus daar ging je vanuit, daar werd over gepreekt en dat vond je letterlijk weer terug in die oude begrafenisformule: Daar het de almachtige God behaagd heeft om onze broeder en zuster uit ons midden weg te nemen. Maar als iemand zich dronken drinkt en daarna zich tegen een boom zich dood rijdt, ik wist niet of dat de wil van God was, dus ik heb die begrafenisformule ook maar snel veranderd. Maar door die gedachte dat het Gods wil is”, zei hij, “zijn wel veel mensen de loop der tijden in diepe ellende gestort. Want je moest maar zo denken.”
Ook de vrouw uit de bijbellezing van zonet is zo iemand, die in diep ongeluk is gestort. Aanvankelijk leeft ze een leven, waarin het haar aan niets ontbreekt. Ze heeft geen financiële zorgen, ze is gelukkig getrouwd en ze heeft in haar leven ook tijd en ruimte voor religie. Het krijgt zelfs een vast plek in haar leven, als ze haar man voorstelt om een kleine gemetselde bovenkamer maken, en daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen, opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen. Je mag dat symbolisch lezen: ze houdt in haar leven niet alleen plek vrij voor de heilige man van God, maar ook voor degene, die hij representeert: God zelf.
En alsof deze haar diepste verlangen raadt, wordt haar een kind beloofd. Maar ze weert het af. “Och neen, mijn heer, gij man Gods”, zegt ze, “spiegel uw dienstmaagd niets voor.” Lieg niet tegen mij, zeggen andere vertalingen. Want valse hoop geven, valse hoop wekken levert alleen maar verdriet en teleurstelling op. Dan liever leven zonder hoop, zonder verwachtingen.
Maar ondanks dat raakt de vrouw zwanger, krijgt een kind en dat kind groeit op en wordt groot. Tot die fatale middag. Als hij van het veld wordt teruggebracht door één van de knechten. Gedragen zelfs. Het maakte om mij als kind een diepe indruk, want nog zie ik het beeld voor me, waarmee ik me dat jongetje voorstelde. Grijpend naar zijn hoofd. Zo levendig kon onze juf van toen juffrouw Loonstra, Matsje Miedema, vertellen.
Maar wat je als kind niet door hebt, weet ik nu: zulke verhalen in de bijbel sparen ons niet. Weliswaar staan ze op het rooster, dat de kerk van oudsher hanteert. Maar houdt dat rooster rekening met onze gevoelens? Met de oude wonden, die het openhaalt? En ons herinnert ons wellicht aan bange uren, aan schrijnend verdriet? Want, zo lezen we, de knecht droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij.
Is er erger mogelijk? Dat, waar elke ouder bang voor is, elke opa, elke oma? Want in niets ben je zo kwetsbaar als je kind, toch? Maar als het je dan ook nog eens overkomt, wat dan? Stort dan niet alles in, zoals vrienden schreven: als je kind verliest, vergaat je wereld. Ook als ben je nog zo oud.
En niet alleen mijn oude collega was daar gaan twijfelen aan het geloof der vaderen; juist ook ouders, broers, zussen, familie kunnen dat niet meer rijmen met hun geloof en komen in een diepe crisis terecht. Waarom God, waarom? Maar elk antwoord dat je zou willen geven, is fout. Zoals ook de vrienden van Job merkten.
Maar wat dan? Neerleggen bij de feiten, berusten? Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht?
Of zoals in dit verhaal: je ezelin zadelen en plankgas naar de plek van bestemming rijden. Door niets en niemand je laten tegenhouden, geen pasjes, geen poortjes, geen checks. Je door niets en niemand laten afwimpelen, laten afschepen, maar zonder omwegen de persoon willen spreken, die hiervoor verantwoordelijk is. Om verhaal te halen, om rekenschap te vragen, ter verantwoording te roepen.
Wat voor geloof drijft deze vrouw? Niet het geloof dat berusting en aanvaarding ‘uit zijn vaderlijke hand’ preekt, niet het geloof dat zegt dat het ergens wel een bedoeling zal hebben en ergens wel goed voor zal zijn, niet het geloof, dat wie jong gestorven vroeg bij God mag zijn, niet het geloof in karma en reïncarnatie, nee, dit geloof moet ons van naam bekend voorkomen. Dit geloof heet protest. Dit geloof protesteert. Dit geloof ís protesteren. Deze vrouw is een protestant. Want, mag ik het zo zeggen, ze pikt het niet. En dat wil ze laten weten ook.
En wie er op let, ontdekt dat de bijbel meer verhalen kent over vrouwen, die zich er niet bij neerleggen. Hanna, de moeder van Samuël, laat zich niet door Eli wegsturen net zo min als de Kanaänitische vrouw door de leerlingen , net zo min als deze Sunamitische vrouw door dominee Gehazi.
Ja, ik noem hem dominee. Maar net zo goed had ik hem kapelaan, priester of bisschop kunnen noemen. Het personeel, dat kost wat kost de tempel wil bewaken, de ware kerk of de juiste leer. Want zijn wij het niet, die vaak in de weg staan en hebben gestaan? Hinderlijk tussen God en mensen in? En hen proberen weg te duwen. Terug. Van het altaar, uit de tempel, bij Jezus vandaan. In je hok, op je plaats.
Maar waar we ons hart laten spreken, of beter, met het hart kijken, beginnen we daar niet te lijken op Elisa, de man Gods? En zo op Jezus, die niemand met lege handen wilde wegsturen, maar met barmhartigheid vele zieken genas en demonen uitdreef? Elisa, die door heeft – niet omdat God het hem dat had gezegd of ingefluisterd – dat zijn sunamitische vriendin een groot verdriet met zich meedraagt. “Laat af van haar, haar ziel is bitter bedroefd.” Bitter huilde ook Rachel om haar kinderen , bitter was ook Naomi, toen ze terugkeerde naar Bethlehem. Het is verdriet, dat zich niet laat troosten, verdriet, dat zich niet laat stelpen.
Er is verdriet, dat zich niet laat wegsturen, maar gehoord wil worden, gezien. “Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?”
Deze vrouw verwacht geen antwoord op haar vraag, waarom haar dit moest overkomen. Deze vrouw wil geen verklaring of reden, waarom haar dit moest treffen. Deze vrouw komt überhaupt niet met een vraag, maar met een klacht. Een verwijt. “U hebt mij misleid!”
Is dit nog geloven? Jazeker, dit is geloof dat rekenschap vraagt van de-gene, die geloof heeft gewekt, geloof heeft geschonken. Dit geloof is vastklampen aan, niet loslaten en niet tevreden zijn totdat de Eeuwige zelf zijn gezicht laat zien. Zoals Job pas zwijgt, als God zelf te voorschijn komt. “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.” , zo weigert de vrouw zonder Elisa te vertrekken. “Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan.”
Wat, als ik mag vragen, zou u doen, als u Elisa was? En als ik mezelf er bij mag insluiten, wat zou ik doen, als ik Elisa was? Zou ik meegaan? Zou ik thuisblijven?
Thuisblijven is wel zo veilig, maar dan hoeft u er niet op te rekenen dat u ooit weer welkom bent bij deze Sunamitische vrouw.
Met haar meegaan, tja, dat houdt een confrontatie in. De ultieme. Met de pijn, waarmee de dood ons hart doorklieft. Met het bittere verdriet, waarop geen antwoord is.

Wie voelt er geen tranen komen,
die daarheen wordt meegenomen,
waar hij Christus’ moeder vindt?

Wie zou tranen binnenhouden
als hij dat verdriet aanschouwde
van de moeder bij haar kind?

Gezang 573 uit ons liedboek: het Stabat Mater vertaald door Willem Wilmink.
Zo heb ik een paar keer aan een sterfbed gestaan. Van een kind. Alsof het lag te slapen. En aan dit verhaal gedacht. Hoe Elisa dat andere kind tot leven had gewekt. Ik voelde een onmetelijke afstand met de bijbel. Alsof er oceanen tussen lagen. Maar ik zag één overeenkomst tussen toen en nu: de gebalde vuist van Elisa tegen de voortijdige, vroegtijdige dood. Net zoals de gebalde vuist van Jezus bij het dochtertje van Jaïrus, de, de jongeling van Naïn, de gebalde vuist van God als protest tegen de dood van een kind.
Rembrandt heeft het heel goed begrepen. Want kijkt u eens naar het plaatje op de voorkant. Hoe Jezus de handen van Simon’s schoon-moeder vastpakt. En haar weer overeind helpt. Om zo als het ware zijn bedoeling, zijn missie te onderstrepen. Die hij kort daarvoor in de synagoge verkondigd had. Dat hij niet gekomen is om mensen klein te houden en dom, maar om hen letterlijk weer op de been te helpen. Daarom, zo schrijft Marcus, waren ze diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. En daarom brengen de mensen alle zieken en beze-tenen naar hem toe en geneest hij vele zieken van allerlei kwalen en drijft hij veel demonen uit.
En ook al kunnen we niet toveren, we kunnen wel iets doen met die gebalde vuist tegen het noodlot. Want ds. Elzinga had gelijk. Het is niet waar dat gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede , en alle dingen, niet bij geval, maar van Gods vaderlijke hand ons toekomen. En dat wij daarom in alle tegenspoed het geduldig te aanvaarden hebben. Dan had Albert Schweitzer gewoon thuis kunnen blijven en had mijn zoon ook niet in Afrika hoeven fietsen voor Amref. En had de VN van het terugdringen van kindersterfte geen milleniumdoel hoeven maken.
Gelukkig is de kindersterfte sinds 1990 wel gedaald. Stierven er in 1990 nog 90 op de 1.000 kinderen jonger dan vijf jaar, in dit jaar moet dit zijn gedaald tot 31 op de 1.000 kinderen. Volgens de VN kan het millenniumdoel nog steeds gehaald worden. Maar alleen als alles op alles wordt gezet om de belangrijkste veroorzakers van de kindersterfte zoals diarree, malaria en longinfecties aan te pakken. Want een kind in een ontwikkelingsland heeft 13 keer zoveel kans om voor het vijfde levensjaar te overlijden dan een kind uit geïndustrialiseerd land. Elk steentje, elke bijdrage telt.
Dat is één, maar wat, als er geen hulp meer mogelijk is? Zoals drie jaar geleden bij het ongeval van Johan Friso? Als blijkt dat we niet de macht en kracht van Elisa, van Jezus bezitten en machteloos staan? Misschien kan het antwoord van Bonhoeffer op die vraag ons dan een richting wijzen. Hij schreef vanuit de gevangenis: God lijdt aan deze wereld en wij mensen worden opgeroepen zijn lijden aan deze wereld mee te lijden. God vraagt van ons, zoals Jezus aan zijn discipelen in de hof van Gethsemane: Kunnen jullie niet één uur met mij waken? Want ‘De God die met ons is, is de God die ons verlaat.” Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?, vroeg zelfs Jezus zich af. Alleen zó is Hij ons nabij. Met deze God moeten mensen het wagen. Hij is de God die in Christus zwak wordt en in zijn zwakheid laat zien dat hij machtig is.
Waar de kracht van de mens het laat afweten, daar is God genadig aanwezig. Dat is bepalend voor ons leven als mondige mensen, midden in deze wereld. Dat heet christelijk geloof. ‘Bonhoeffer’, schrijft Heitink, ‘had geen makkelijk praten. Hij worstelde met deze vragen met de dood voor ogen. Maar hij wist zich ‘door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar…’ Dit is een andere wijze van spreken over God. Want als er één is die weet wat het betekent een kind te verliezen, dan is het God wel. juist in hun lijden wil hij mensen nabij zijn. Hij lijdt met ons mee.’ Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*