Liefde eist geen onderwerping, maar nodigt uit om na te volgen

Meditatie zondag 11 januari 2015: doop van de Heer, evangelielezing: Marcus 1:1-11

Het nieuwe jaar was precies een week oud, toen het ons confronteerde met een gruwelijke aanslag op het hoogst verworven goed van de westerse samenleving: de vrijheid van meningsuiting.

Een schokgolf van ontzetting, woede, verontwaardiging ging door Parijs, Frankrijk, Europa de wereld. Want we voelden, voelen dat er iets heel wezenlijks op het spel staat. En daarom riep ook onze burgemeester donderdag op tot een geweldloze demonstratie op het Wilhelminaplein, waarbij ook de imams van de Leeuwarder moskeeën aanwezig waren. Om namens de moslimgemeenschappen van hun afkeuring, veroordeling en ontzetting blijkt te geven.
Ik was in de auto onderweg, toen ik het nieuws hoorde, en toen ik thuis kwam, liep ik onmiddellijk naar mijn computer toe om mijn preek van 28 december te herlezen. Misschien dat u ze zich nog herinnert, maar toen ik het teruglas, schrok ik van mijn eigen woorden aan het eind van de preek. Voor wie er niet bij was: het ging over de kindermoord te Bethlehem en het gospelpopkoor had net Tears In Heaven gezongen. Waarna ik de vraag stelde

Maar is dat het laatste wat we kunnen zeggen tegen het kwaad? Dat we hopen elkaar weer te zullen zien? Ik merk meer en meer dat mensen bang worden, schuw, ook al is er geen reden voor. Alsof mensen bang zijn om zelf door het kwaad getroffen te worden. Sony, bijvoorbeeld, die een film terugtrekt uit angst voor aanslagen van het Noord-Koreaanse regime.
Maar als dat zo is, dan heeft het kwaad gewonnen, dan heeft Herodes zijn doel bereikt, dan kan Breivik tevreden zijn, dan kan IS de champagne opentrekken en Kim Jong Un op zijn lauweren rusten. „We hebben jullie nodig”, zei de Noorse premier Jens Stoltenberg. „Waar je ook woont, welke God je ook aanbidt, ieder van ons kan verantwoordelijkheid nemen en onze vrijheid bewaken. Samen zijn wij een onbreekbare ketting van zorg, democratie en veiligheid. Die beschermt ons tegen geweld.”
En daarom ook al ligt er een strijd in het verschiet en zijn veel slagen verloren, droom niet dat het voorbij is, wanneer de wereld binnen-komt, om een muur te bouwen tussen ons in, weet dan dat ze niet zullen winnen.

Het dagblad Trouw maakte in een commentaar een vergelijking met de offers, die in de bezettingstijd door haar redactie waren gebracht. 23 medewerkers werden toen op 9 aug. 14 door de Nazi’s geëxecuteerd om de redactie te dwingen te stoppen. Ongewild legde de krant daarmee een verband met oorlog, terwijl het NRC juist op het gevaar van een ontvlammende godsdienstoorlog wees.

“Naast het zaaien van angst, proberen terroristen ook bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten en bestaande spanningen te laten escaleren. In Irak bijvoorbeeld heeft Al-Qaeda met die beproefde tactiek groot succes geboekt. Voor het aanhoudende geweld van de terroristen moest de hele soennitische bevolkingsgroep boeten – wat tot etnische zuiveringen leidde en tot een bittere burgeroorlog die nog altijd voortduurt. Maar als het drama van gisteren leidt tot een godsdienst-oorlog tegen de islam, zou dat een overwinning voor de terroristen zijn.”

Met andere woorden: trap niet in de valkuil, laat je niet provoceren. Dat heeft Europa ten koste van zoveel doden, soldaten, burgers door schade en schande, als je het zo mag zeggen, geleerd.
Maar juist omdat de terroristen voortdurend religieuze argumenten gebruiken om hun aanslagen te legitimeren, kun je als gelovige, als theoloog er niet om heen om er iets van te zeggen.
Want dinsdag voor die aanslag al constateerden wij met elkaar al, dat de bijbel (het Oude Testament) ook uitermate gewelddadige, onverdraagzame trekken heeft. Denk aan het Bijbelboek Jozua, dat over de inname van het land Kanaän gaat of over de genocide op het volk van Amalekieten. Wie zoals sommige moslims hun Koran de bijbel hier letterlijk neemt, heeft wel iets uit te leggen. Maar niet elk gedeelte uit de bijbel is van het zelfde gewicht; net zoals bij de profeet Mohammed er is sprake van voortschrijdend inzicht met dit verschil dat dit voort-schrijdend inzicht verdeeld is over 66 boeken en een periode van ruwweg 6 eeuwen. Om u en voorbeeld te geven: als Jezus in de synagoge van Nazareth uit de profeet Jesaja leest, laat hij één zin weg : bij alles wat de Messias zal doen, slaat Jezus de passage over die vertelt ‘van de dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten.’ Dat is niet toevallig. De Messias, die Jezus wil zijn, komt niet om wraak te nemen, om Gods vijanden mores te leren. Nee, in plaats daarvan, zal de Messias die Jezus wil zijn, de weg van geweldloosheid gaan, van overgave tot het eind. Van zelfopoffering, die zichzelf niet spaart en het lijden niet uit de weg gaat.
Hier bij de doop van Jezus wordt zijn weg al duidelijk. Hij zal niet op-roepen tot onderwerping, maar tot navolging. En dat is een cruciaal verschil: want navolging doe je uit eigen vrije wil, onderwerping gebeurt juist tegen je wil.
Uit eigen vrije wil kiest hij er voor om zich door Johannes te laten dopen – niemand die hem ertoe dwingt – en zo zal hij ook mensen de vrijheid gunnen om zelf te beslissen of ze hem willen volgen of niet. In die zin lijkt de Koran toch meer op het Oude Testament, dat veel krijgszuch-tiger is en op onderwerping van de gelovigen gericht.
En waar christenen nog een onderscheid kunnen maken tussen Oude en Nieuwe Testament, is zo’n onderscheid in de Koran voor de moslim gelovige veel lastiger te maken.
Maar laten we vooral niet vergeten de hand in eigen boezem te steken: ook al heeft Jezus consequent alle geweld tegen ongelovigen afgewezen en opgeroepen tot navolging in plaats van onderwerping; vanaf het moment dat het christendom in het Romeinse rijk een bevoorrechte positie krijgt, worden ook door haar de ongelovige heidenen met geweld onderworpen. En ook de Frankische heersers dwongen hun vijanden met geweld zich te bekeren. Karel de Grote liet iedereen vermoorden die weigerde gedoopt te worden. Maar ook het geweld en de pogroms tegen joden werden gerechtvaardigd met de bijbel in de hand. Als straf voor de moord op de zoon van God.
Uit verontwaardiging over dat verdraaien van Jezus’ oorspronkelijke intentie en bedoeling schreef de Russische schrijver Dostojewski daarom dit verhaal; het speelt zich af omstreeks het jaar 1500.

Op wonderbaarlijke wijze blijkt een onbekende teruggekeerd op aarde en wel in de stad Sevilla, waar juist de dag ervoor ter ere van God een aantal ketters is verbrand onder her toeziend oog van de kardinaal-grootinquisiteur. De onbekende doet een aantal genezingen, maakt een dode (een meisje van zeven jaar) weer levend, wordt herkend door de mensen en enthousiast toegejuicht. De grootinquisiteur ziet het een poosje met lede ogen aan, laat de onbekende ten slotte gevangen nemen en ter dood veroordelen: Hij verstoort het werk van de kerk. haft. Bij het vallen van de nacht komt de grootinquisiteur hem opzoeken, alleen. ‘Zijt Gij het? Gij?’ spreekt hij hem brutaal aan. ‘Waarom kom je ons voor de voeten !open?’ De gevangene zegt niets. Hij kijkt de grijsaard alleen maar aan. Deze vervolgt: ‘Was jij het niet die toen zo dikwijls zei: “Ik wil jullie vrijmaken”? Welnu, je hebt daarnet die “vrije” mensen gezien, voegt de oude er plotseling met een peinzend lachje aan toe. Ja, dat heeft ons heel wat moeite gekost, vervolgt hij terwijl hij Hem streng aankijkt, maar wij hebben het werk in jouw naam voltooid. Weet dan, dat die mensen juist nu er meer dan ooit van overtuigd zijn dat ze volkomen vrij zijn, maar intussen hebben ze ons uit eigen beweging hun vrijheid gebracht en haar gehoorzaam aan onze voeten gelegd.’
Vervolgens legt de kardinaal aan Jezus – want die is het- uit dat hij nooit het hoofd had moeten bieden aan de drie duivelse verzoekingen: stenen in broden veranderen, zich van het hoogste punt van de tempel werpen en de engelen vragen hem te redden, en de heerschappij over alle koninkrijken ter wereld aanvaarden. Want, vervolgt hij, er zijn maar drie krachten die her menselijk bewustzijn kunnen onderwerpen: het wonder, her mysterie en de autoriteit. Je wilt de wereld ingaan en je gaat met lege handen, met een vage belofte van vrijheid, die zij in hun onnozelheid en met hun aangeboren tuchteloosheid niet kunnen bevatten, waarvoor ze doodsbang zijn, want nooit is er voor de mens en voor de menselijke samenleving iets onverdraaglijker geweest dan vrijheid! […] Ik zeg je dat de mens geen kwellender zorg heeft dan om iemand te vinden aan wie hij zo snel mogelijk de gave van de vrijheid […] kan overdragen. […] Ook hier overschatte je de mensen, want natuurlijk zijn het slaven. […] Wij hebben jouw daden gecorrigeerd en ze gegrondvest op het wonder, het mysterie en de autoriteit. En de mensen verheugden zich dat ze wederom als een kudde werden geleid en dat ten slotte die zo verschrikkelijke gave, die hun zoveel ellende had gebracht, van hun hart was afgenomen. […] Morgen zie je die gehoorzame kudde, die op een wenk van mij hete kolen zal werpen naar jouw brandstapel, waarop ik je laat branden omdat je ons voor de voeten bent komen lopen.’
De inquisiteur zwijgt. Hij wacht in spanning het antwoord van de gevangene af, die hem urenlang met een kalme, doordringende blik heeft aangehoord. ‘De oude man zou willen dat de ander iets tegen hem zei, al was het iets bitters en verschrikkelijks. Maar deze liep plotseling zwijgend op de oude man toe en drukte stil een kus op diens bloedeloze negentigjarige lippen. Dat is zijn antwoord. De oude man rilt. Er beweegt iets aan de uiteinden van zijn lippen; hij loopt naar de deur, opent die en zegt tegen de ander: “Ga heen, en kom hier niet meer… nooit meer… nooit, nooit meer!” En hij laat hem gaan naar de “donkere stegen der stad”.’

Om die reden noemt Harry Kuitert in zijn laatste boek de kerk een constructiefout, omdat ze toch heel vaak navolging heeft verward met onderwerping, en bekering met overheersing, haat met liefde.

Maar juist daarom kunnen, terroristen, fundamentalistische moslims, joden, christenen zo weinig met de liefde beginnen. In hun heilig vuur wordt de liefde door de haat verschroeid. Want liefde laat zich niet dwingen, en wie liefheeft, is niet uit op onderwerping, maar hoopt op een antwoord. Of hoe zij Paulus dat al weer?

Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten. De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.

Maar laten we eerlijk zijn, dit zou de apostel nooit hebben kunnen schrijven, als hij niet net als de grootinquisiteur door Jezus gezoend zou zijn. Zoals Marcus vertelt dat Jezus op zijn beurt bij zijn doop door zijn hemelse vader is omhelsd. Met de woorden: Do, Do bist myn Soan, myn ynleave Jonge, Ik bin sa wiis mei Dy! ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ Ik wens u zulke woorden toe, om die in uw hart te dragen, als een herinnering dat wij net zo door God van Jezus worden omarmd. Wan wie zulke woorden in zijn/haar hart draagt, zal zich niet meer laten leiden door haat of berekening. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*