Herinneringen aan de muur van Berlijn

restant muur bernauers strasse P1000742 P1000741Op 9 november 1989 viel de muur van Berlijn. Om elf uur ’s avonds. Ik was er al ooit eerder geweest, had West- en Oost-Berlijn bezocht, en ook verschillende keren erna, maar het moment zelf heb ik gemist. Graag had ik de euforie willen meemaken, de eindeloze rij Trabantjes, die enthousiast werden begroet, de Berlijners, die op de muur klommen. “Ja”, zei de man van mijn berlijnse nichtje, “ik was in de buurt en toen ze mij zagen, werd ik spontaan de muur opgetrokken.” Voor die tijd  gebruikte hij en zijn vriendjes de muur als doel; alleen als de bal hoog overging, was je hem definitief kwijt. Maar in november 1989 liet hij de bal op het voetbalveld achter om op het geroezemoes af te gaan. En eenmaal staand op de muur trotseerde hij met zijn paraplu het waterkanon van de Oost-Duitse grenspolitie. “En wat deed jij op dat moment?”, vroeg hij me. “Oh, ik lette op de kinderen; die waren toen nog klein.” “En je vrouw, waar was die dan?” “Die was uitgerekend op die dag in de trein gestapt om haar moeder te bezoeken.”

Het was nog voordat smartphones en tablets, twitters en tweets, internet en website, sms en e-mail, hun intree in het dagelijks leven hadden gedaan. En daardoor kon het gebeuren dat ze die vroege vrijdagmorgen niets vermoedend op reis ging en pas bij Hamburg achterdochtig werd. “Er stonden zoveel mensen op het station, die in de omgekeerde richting reisden.“ Het eerste station na de grens stond helemaal zwart met mensen, zodat ze begon te vrezen dat ze haar bestemming die dag niet zou halen. Maar pas ’s avonds laat bij haar ouders hoorde ze pas wat er echt gebeurd was.

Nu vijfentwintig jaar later is de muur definitief geschiedenis geworden, enkel nog op een paar plekken te bezichtigen. Wat over blijft, zijn de verhalen. Hoe de muur het leven van mensen bepaalde, gezinnen uiteenscheurde en hoe mensen wanhopige pogingen ondernamen om het vrije westen te bereiken. Want daarin was deze muur enig in zijn soort; ze was niet bedoeld om mensen tegen te houden, zoals het Oost-Duitse regime haar burgers wel laten geloven, maar om omgekeerd mensen binnen te houden. En hoewel je in grote delen van het land er niet zoveel merkte, stootte je in Oost-Berlijn er toch voortdurend je neus.

“Het sterkst”, zo vertelde mijn vrouw, “merkten we dat bij het afscheid van bezoekers uit het Westen.” Ze brachten hen dan tot aan het stations gebouw in de Friedrichsstraße, dat om die reden tot Tränenpalast (tranenpaleis) was omgedoopt. Daar werden de bezoekers uitgezwaaid door de Oost-Duitsers, die hun land niet mochten verlaten. “Daar stond ik”, zei mijn vrouw, “bij die klapdeur, als ik mensen uitzwaaide. Daarna kon je ze niet verder volgen. Dan verdwenen ze om de hoek naar de grenscontrole. Het enige wat je nog zag, was de klapdeur, die nog een paar keer heen en weer ging.”

tranenpalastWe zijn er nadien nog een paar keer geweest, want tegenwoordig is er in het Tränenpalast een interessante tentoonstelling en staat er voor de liefhebber nog een originele controlecabine. We hebben toen het doolhof van controles van toen proberen te reconstrueren; wat toen een onverbiddelijke grens was, is nu enkel maar een streep in de vloer. Maar echt gezellig wil het in het tranenpaleis niet worden, daarvoor zijn er op die plek teveel gevallen.

Maar ook die horen gelukkig tot de geschiedenis. En dat laatste zou ik van alle tranen wensen

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*