Dat gaat naar Den Bosch toe

‘Datden bosch 2012 gaat naar Den Boch toe, zoete lieve Gerritje.’ We zingen het niet alleen, maar als straatmuzikanten doen we toch wel eens per jaar daadwerkelijk de hoofdstad van Noord-Brabant aan. De Sint Jan laten we dan links liggen en installeren ons in plaats daarvan vrolijk voor het bordes van de Grote Kerk. Want  Den Bosch lijkt bevolkt met vriendelijke en vrijgevige mensen; het is er altijd gezellig en de meeste voorbijgangers op de Parade waarderen onze muziek met een gift in de gitaarkoffer.

Die gift is niet voor onszelf, zoals ooit een bezorgd familielid vroeg of het traktement zo laag was tegenwoordig. Nee, de giften zijn bestemd voor het werk van Robert Smits, die in Rio de Janeiro straatkinderen een kans op een menswaardig leven probeert te geven. Straatmuziek voor straatkinderen dus. Robert Smits had ik mijn eerste gemeente leren kennen, toen hij net was teruggekeerd van een bezoek aan Rio en daar op het Grand Central in zijn eigen woorden letterlijk in de mond van de hel had gekeken. Het jaar erop vertrok hij weer naar Rio, maar nu met het vaste doel om de straatkinderen te helpen. Zelden heb ik zo’n bevlogen man ontmoet, want nu meer dan 25 jaar later is zijn werk uitgegroeid tot een volledig opvang- en educatie-centrum voor de straatkinderen van Rio. (zie helpmijleven.org)

Maar Rio is voor ons, doodgewone straatmuzikanten, nog wel eventjes een burg te ver. Dus werd het Den Bosch. Maar dit keer moesten we het kerkplein delen met andere kraampjes. Rechts naast ons stond Groen Links, links stonden 50 plussers. Natuurlijk mochten we komen spelen, want onze muziek was ook al bijna 50 plus. Even later zagen we de grote man van 50 plus zelf voorbijkomen en druk flyeren. ‘Handen af van onze pensioenen’ stond er te lezen op de poster. Tja, dacht ik, als iedere werkgever die fatsoenlijk afdraagt, is er niks aan de hand.

In de verte hoorde ik concurrentie aankomen: het sonore geluid van een doedelzak. “Als we hem nu eens vragen om met ons mee te doen?”, opperde mijn compagnon. Ik deed mijn gitaar af en liep in de richting van de geluidsbron. Even later zag ik hem staan. Een blonde jonge knul in onmiskenbaar schotse kledij inclusief schotse rok. “Kun je ook Mull of Kintyre spelen”, vroeg ik. Hij knikte, terwijl hij onverstoorbaar bleef doorspelen. “Heb je dan zin om met ons mee te spelen?” Onder de klanken van Amazing Grace zette hij zich in beweging. Maar aangekomen op het plein waren de 50plussers net de zeepkist aan het uitproberen. “Als ik nu begin te spelen, blaas ik ze allemaal weg,” zei de doedelzakspeler. “Doe dat maar niet,” zei ik, “ik wil hier graag nog eens terug kunnen komen.” In het dagelijks leven bleek de doedelzakspeler een student biologie, die op deze manier wat probeerde bij te verdienen. Met een blik op onze gitaarkoffer constateerde hij dat hem dat beter lukte dan ons. Maar wie weet, zei hij, als we samen zouden spelen, zouden de beurzen misschien wel royaler opengaan. Daarom spraken we af om bij een volgend bezoek aan Den Bosch elkaar te informeren. Later op de middag zag ik hem op weg naar de parkeergarage voor ons uitlopen. Langs een café met wij openstaande deuren. Maar in laats van applaus trok er een schaduw over de stad: de mannelijke cafebezoekers, die de doedelzakspeler inmiddels ook hadden ontdekt, trakteerden hem op een hatelijk spreekkoor over vermeende seksuele geaardheid. Kromp zijn rug zich daardoor iets ineen of was dat verbeelding? Ik zelf ging bijna door de grond van plaatsvervangende schaamte. En dacht: meneer Krol, had u niet beter hier kunnen staan? Om er iets van te zeggen? Of premier Rutte, die Poetin nog in februari had durven kapittelen, uitnodigen voor een werkbezoek aan Den Bosch? Want het gevecht tegen homo-discriminatie lijkt ook bij ons nog lang niet beslecht.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*