Als een kind sterft….

Meditatie over 2 Kon 4:8-30 Zondag 5 februari 2012

Ik was onlangs op bezoek bij een oud-collega. Hij is bijna 100, maar nog heel helder en we raakten in gesprek over het verleden. Hij vertelde dat hij in het voorjaar van 1940 predikant was geworden. Direct na zijn kerkelijk examen stond een legerpredikant bij hem op de stoep, die dringend iemand zocht. En zo was hij naar een klein plaatsje in Twente vlak bij de Duitse grens verhuisd om daar de zaak waar te nemen.

“Ik was daar een maand of twee of drie”, zo vertelde hij, “en toen brak de oorlog uit, de Duitsers trokken massaal door Enter heen, allemaal vrachtwagens, die naar het Westen gingen. Ik zou die dag een begrafenis moeten hebben, maar ja, dat kon niet, want de weg was versperd, waardoor alles in de soep liep; dat heeft één of twee dagen geduurd, want de volgende dag was het ook nog allemaal colonnes. En toen ik die begrafenis had, dat was op die middag, toen kwamen er alsmaar vliegtuigen van uit het westen naar het oosten. Toen bleek dat de Duisters Rotterdam gebombardeerd hadden en terugkeerden. Dat was een rot begin. En daar heb ik ook een vrouw moeten zeggen dat haar man gesneuveld is. Dus ik werd er meteen goed in gegooid.”

Maar toen ik hem vroeg hoe hij terugkeek op zijn werk, zei hij tot mijn verbazing, dat hij zijn leven toch eigenlijk als mislukt zag.

“Want,” zei hij, “ik ben in het calvinistisch spoor gezet , waarin je eerst echt meegaat, maar gaandeweg stuit je op allerlei dingen, die je doen twijfelen. Op een gegeven moment zo erg dat je zegt : ik heb het toch eigenlijk voor niks gedaan.”

Wanneer hij dan was gaan twijfelen, wilde ik weten? Hij vertelde dat dat begonnen was bij die bekende tekst uit het Mattheüs evangelie, dat er geen mus ter aarde zal vallen zonder de wil van uw Vader. “Maar”, zei ik, “dat staat er toch helemaal niet! Er staat toch alleen: zonder uw Vader?”

“Ja”, zei hij, “maar die tekst is altijd gelezen door de bril van de Catechismus. Die leerde dat alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Dus daar ging je vanuit, daar werd over gepreekt en dat vond je letterlijk weer terug in die oude begrafenis-formule: Daar het de almachtige God behaagd heeft om onze broeder en zuster uit ons midden weg te nemen. Maar als iemand zich dronken drinkt en daarna zich tegen een boom zich dood rijdt, ik wist niet of dat de wil van God was, dus ik heb die begrafenis-formule ook maar snel veranderd. Maar door die gedachte dat het Gods wil is”, zei hij, “zijn wel veel mensen de loop der tijden in diepe ellende gestort. Want je moest maar zo denken.”

Ook de vrouw uit de bijbellezing van zonet is zo iemand, die in diep ongeluk is gestort. Aanvankelijk leeft ze een leven, waarin het haar aan niets ontbreekt. Ze heeft geen financiële zorgen, ze is gelukkig getrouwd en ze heeft in haar leven ook tijd en ruimte voor religie. Het krijgt zelfs een vast plek in haar leven, als ze haar man voorstelt om een kleine gemetselde bovenkamer maken, en daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen, opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen. Je mag dat symbolisch lezen: ze houdt in haar leven niet alleen plek vrij voor de heilige man van God, maar ook voor degene, die hij representeert: God zelf.
En alsof deze haar diepste verlangen raadt, wordt haar een kind beloofd. Maar ze weert het af. “Och neen, mijn heer, gij man Gods”, zegt ze, “spiegel uw dienstmaagd niets voor.” Lieg niet tegen mij, zeggen andere vertalingen. Want valse hoop geven, valse hoop wekken levert alleen maar verdriet en teleurstelling op. Dan liever leven zonder hoop, zonder verwachtingen.
Maar ondanks dat raakt de vrouw zwanger, krijgt een kind en dat kind groeit op en wordt groot. Tot die fatale middag. Als hij van het veld wordt teruggebracht door één van de knechten. Gedragen zelfs. Het maakte om mij als kind een diepe indruk, want nog zie ik het beeld voor me, waarmee ik me dat jongetje voorstelde. Grijpend naar zijn hoofd.
Zulke verhalen in de bijbel sparen ons niet. Eerder halen ze oude wonden open. Herinneren ons wellicht aan bange uren, aan schrijnend verdriet? Want, zo lezen we, de knecht droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij.
Is er erger mogelijk? Dat, waar elke ouder bang voor is, elke opa, elke oma? Want in niets ben je zo kwetsbaar als je kind, toch? Maar als het je dan ook nog eens overkomt, wat dan? Stort dan niet alles in, zoals vrienden schreven: als je kind verliest, vergaat je wereld. Ook als ben je nog zo oud.
En niet alleen mijn oude collega was daar gaan twijfelen aan het geloof der vade-ren; juist ook ouders, broers, zussen, familie kunnen dat niet meer rijmen met hun geloof en komen in een diepe crisis terecht. Waarom God, waarom? Maar elk antwoord dat je zou willen geven, is fout. Zoals ook de vrienden van Job merkten.
Maar wat dan? Neerleggen bij de feiten, berusten? Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht?
Of zoals in dit verhaal: je ezelin zadelen en plankgas naar de plek van bestemming rijden. Door niets en niemand je laten tegenhouden, geen pasjes, geen poortjes, geen checks. Je door niets en niemand laten afwimpelen, laten afschepen, maar zonder omwegen de persoon willen spreken, die hiervoor verantwoordelijk is. Om verhaal te halen, om rekenschap te vragen, ter verantwoording te roepen.
Wat voor geloof drijft deze vrouw? Niet het geloof dat berusting en aanvaarding ‘uit zijn vaderlijke hand’ preekt, niet het geloof dat zegt dat het ergens wel een bedoeling zal hebben en ergens wel goed voor zal zijn, niet het geloof, dat wie jong gestorven vroeg bij God mag zijn, niet het geloof in karma en reïncarnatie, nee, dit geloof moet ons van naam bekend voorkomen. Dit geloof heet protest. Dit geloof protesteert. Dit geloof ís protesteren. Deze vrouw is een protestant. Want, mag ik het zo zeggen, ze pikt het niet. En dat wil ze laten weten ook.
En wie er op let, ontdekt dat de bijbel meer verhalen kent over vrouwen, die zich er niet bij neerleggen. Hanna, de moeder van Samuël, laat zich niet door Eli wegsturen net zo min als de Kanaänitische vrouw door de leerlingen , net zo min als deze Sunamitische vrouw door dominee Gehazi.
Ja, ik noem hem dominee. Maar net zo goed had ik hem kapelaan, priester of bisschop kunnen noemen. Het personeel, dat kost wat kost de tempel wil bewaken, de ware kerk of de juiste leer. Want zijn wij het niet, die vaak in de weg staan en hebben gestaan? Hinderlijk tussen God en mensen in? En hen proberen weg te duwen. Terug. Van het altaar, uit de tempel, bij Jezus vandaan. In je hok, op je plaats.
Maar waar we ons hart laten spreken, of beter, met het hart kijken, beginnen we daar niet te lijken op Elisa, de man Gods? En zo op Jezus, die niemand met lege handen wilde wegsturen, maar met barmhartigheid vele zieken genas en demonen uitdreef? Elisa, die door heeft – niet omdat God het hem dat had gezegd of ingefluisterd – dat zijn sunamitische vriendin een groot verdriet met zich meedraagt. “Laat af van haar, haar ziel is bitter bedroefd.” Bitter huilde ook Rachel om haar kinderen , bitter was ook Naomi, toen ze terugkeerde naar Bethlehem. Het is verdriet, dat zich niet laat troosten, verdriet, dat zich niet laat stelpen. Verdriet, dat zich niet laat wegsturen, maar gehoord wil worden, gezien.

“Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?”

Deze vrouw verwacht geen antwoord op haar vraag, waarom haar dit moest overkomen. Deze vrouw wil geen verklaring of reden, waarom haar dit moest treffen. Deze vrouw komt überhaupt niet met een vraag, maar met een klacht. Een verwijt. “U hebt mij misleid!”
Is dit nog geloven? Jazeker, dit is geloof dat rekenschap vraagt van degene, die geloof heeft gewekt, geloof heeft geschonken. Dit geloof is vastklampen aan, niet loslaten en niet tevreden zijn totdat de Eeuwige zelf zijn gezicht laat zien. Zoals Job pas zwijgt, als God zelf te voorschijn komt. “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.” , zo weigert de vrouw zonder Elisa te vertrekken. “Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan.”
Wat, als ik mag vragen, zou u doen, als u Elisa was? En als ik mezelf er bij mag insluiten, wat zou ik doen, als ik Elisa was? Zou ik meegaan? Zou ik thuisblijven?
Thuisblijven is wel zo veilig, maar dan hoeft u er niet op te rekenen dat u ooit weer welkom bent bij deze Sunamitische vrouw.
Met haar meegaan, tja, dat houdt een confrontatie in. De ultieme. Met de pijn, waarmee de dood ons hart doorklieft. Met het bittere verdriet, waarop geen antwoord is. Zo heb ik een paar keer aan een sterfbed gestaan. Van een kind. Alsof het lag te slapen. En aan dit verhaal gedacht. Hoe Elisa dat andere kind tot leven had gewekt. Ik voelde een onmetelijke afstand met de bijbel. Alsof er oceanen tussen lagen. Maar ik zag één overeenkomst tussen toen en nu: de gebalde vuist van Elisa tegen de voortijdige, vroegtijdige dood. Net zoals de gebalde vuist van Jezus bij het dochtertje van Jaïrus, de, de jongeling van Naïn, de gebalde vuist van God als protest tegen de dood van een kind.
En ook al kunnen we niet toveren, we kunnen wel iets doen met die gebalde vuist. En juist op deze zondag is het goed om daar bij stil te staan. Bij wat er gebeurt in het opvangtehuis in Bal Anand, maar ook bij de landbouwprojecten in Afrika en bij de kindersterfte in het algemeen. Want die is in 2010 gedaald tot 7,6 miljoen kinderen. Nog steeds onaanvaardbaar veel, maar wel beduidend minder dan de 12,4 miljoen kinderen in 1990.
En dat komt, doordat een flink aantal landen er in geslaagd is om de kindersterfte terug te dringen. Volgens de VN kan het millenniumdoel in 2015 nog steeds gehaald worden. Maar alleen als alles op alles wordt gezet om de belangrijkste veroorzakers van de kindersterfte zoals diarree, malaria en longinfecties aan te pakken. Elk steentje, elke bijdrage telt.
Dat is één, maar wat, als er geen hulp meer mogelijk is?
Hou niet op met bidden, stop niet bidden. Maar blijf zoeken naar, bidden, smeken om God. Ga door met een pad te banen naar Gods deur, omdat één ding waar je zeker van kunt zijn, is, dat langs het pad je baant met zelfs je aarzelendste en weifelendste gebed de God, die je aanroept ten slotte komen zal. En zelfs als hij je niet het antwoord brengt dat je ver¬langt, zal Hij je zichzelf brengen. En misschien als je al je zorgen, je verdriet, je pijn brengt in de nabijheid van God, dat je dan zelf mag veranderen in zijn liefdevolle nabijheid. En misschien is dat waar wij in de meest verborgen kern van al onze gebeden in werkelijkheid om bidden. Dat laatste is niet van mezelf, maar van Frederick Buechner , maar wil ik graag aan u doorgeven. Amen.